Is het sociale zekerheidsverdrag Nederland – Marokko van de baan?

In oktober 2015 hebben wij u bericht dat Nederland en Marokko overeenstemming hadden bereikt over een nieuw  sociale zekerheidsverdrag vanaf 2016.

In een brief van  15 december  2015 berichtte minister Asscher dat op het laatste moment de onderhandelingen tussen Nederland en Marokko toch zijn mislukt.  Hierdoor zullen er in ieder geval in 2016 nog geen wijzigingen van het bestaande verdrag in werking kunnen treden.

Het is momenteel nog onduidelijk wat de verdere gevolgen zullen zijn. Waarschijnlijk zal Nederland verder gaan met de behandeling van het wetsvoorstel tot opzegging van het verdrag (zie: kamerstukken 34052).  Dat voorstel was reeds in 2014 ingediend, maar de behandeling ervan was aangehouden na het bereiken van het principeakkoord. Als het verdrag opgezegd gaat worden zal dat waarschijnlijk per 1 januari 2017 zijn.

Een opzegging van het verdrag lijkt geen gevolgen te hebben voor de export van de uitkeringen op grond van de ZW, WIA, WAO, WAZ, TW, Anw en de AOW  die reeds op de dag voor de datum van buitenwerkingtreding van het verdrag plaatsvindt (zie:  34052, nr. 3. p.8).

Overigens is er ook nog een associatieverdrag tussen de EU en Marokko in voorbereiding dat de export van o.a. arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als gevolg van bedrijfsongevallen en beroepsziekten regelt. Dat verdrag zal de gevolgen van een opzegging van het verdrag tussen Nederland en Marokko voor toekomstige uitkeringen weer deels ongedaan maken.

Als het tot een daadwerkelijke opzegging van het sociale zekerheidsverdrag komt dan lijken de gevolgen vooral te gelden voor de export van kinderbijslag en het kindgebonden budget.  Bij een opzegging per 1 januari 2017 zal dat waarschijnlijk per 1 juli 2017 stoppen.

In de brief aan de Tweede Kamer laat de minister overigens  weten dat Nederland nog steeds open staat voor verder overleg.  Ik sluit dan ook niet uit dat tussen beide landen op een later moment alsnog overeenstemming wordt bereikt, omdat zowel Nederland als Marokko wel belang hebben bij een akkoord.

Zwijgen minderjarige verdachte soms beste advies!

In dit artikel deelt de korpschef van de Rotterdamse politie zijn zorgen over het feit dat jeugdige verdachten zich beroepen op hun zwijgrecht. Advocaten zouden hier een negatieve rol inspelen. Anders dan bij de korpschef staat het belang van de jeugdige verdachte bij de advocaat voorop. De afweging van factoren die bepalen op welke wijze aan de jeugdige geadviseerd wordt de politie tegemoet te treden, hangt af van tal van factoren gelegen binnen en buiten het strafrecht. Ik noem er een aantal:

– aard en ernst van de zaak;
– leeftijd van de jeugdige;
– gevolgen veroordeling voor opleiding en perspectief op werk;
– gevolgen opname in databank DNA-veroordeelden (Ook minderjarige veroordeelden moeten in beginsel DNA afstaan bij veroordeling voor o.a geweldsdelicten);
– gehardheid van de jeugdige verdachte (al vaker in aanraking geweest met politie);

Uiteindelijk steunt de advocaat de jeugdige in de procespositie die de minderjarige verdachte wil innemen. Soms is dat een andere proceshouding dan de advocaat adviseerde of dan de ouders van hun zoon of dochter verlangen. Dat maakt voor de advocaat niet uit. Die dient uitsluitend het belang van de minderjarige cliënt. De korpschef zou zich ook eens hard moeten maken voor:
– kindvriendelijke politiecellen;
– opsluiting gescheiden van volwassen verdachten;
– het aantal overnachtingen van jeugdigen in politiecellen terugdringen voor geringe feiten waarvoor geen gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Wie toetst de rechten van broers en zussen op samenplaatsing bij uithuisplaatsing?

In het Nederlands Juristenblad (NJB 11-12-2015 afl. 43 blz. 3014 t/m 3019) vraag ik aandacht voor het gebrek aan en zicht op de toetsing van de kwaliteit van de pleegzorg bij het plaatsen van broers en zussen. Ik meen dat alleen in uitzonderlijke gevallen de belangen van broers en zussen kunnen leiden tot een gescheiden plaatsing. Daarbij dienen de belangen van het kind vooropgesteld te worden en is in beginsel een gebrek aan plekken of de voorkeuren van pleegouders onvoldoende reden voor de scheiding.

Op richtlijnenjeugdhulp.nl zijn richtlijnen voor de uitvoering van jeugdhulp aan gezinnen en kinderen te vinden. Opmerkelijk is dat bij de onderbouwing van de richtlijn uithuisplaatsing op pag. 50 het uitgangspunt van samenplaatsing van broers en zussen bij uithuisplaatsing wordt gesteld. Die richtlijn is geschreven als handvat voor de jeugdbescherming.

In de Richtlijn Pleegzorg, die handvatten biedt aan medewerkers in de pleegzorg wordt de voorkeur voor samenplaatsing zeer sterk afgezwakt (zie pag. 160 van de onderbouwing van deze richtlijn). In de praktijk valt op dat de jeugdbeschermer uit huis te plaatsen kinderen aanmeldt bij pleegzorg en zich vervolgens een proces van matching (het zoeken van een geschikt pleegzorgadres voor een kind) buiten het zicht van de jeugdbeschermer, ouders en kinderrechter afspeelt. Hierdoor lijkt het vaak onmogelijk de rechten van kinderen op samenplaatsing te borgen en zijn vaak praktische overwegingen leidend bij de plaatsingsbeslissing.

Waar de Richtlijn Pleegzorg weer veel stelliger in is ten aanzien van de begeleiding van de uithuisgeplaatste kinderen is dat bij jonge kinderen (jonger dan vijf jaar) in het eerste half jaar zeer intensief samen met de ouders moet worden ingezet op de terugkeer van de kinderen bij de ouders. Dat betekent dus een zeer intensief contact en zeer intensieve hulpverlening. Aan de andere kant geeft de richtlijn pleegzorg aan dat indien na een half jaar het perspectief nog onduidelijk is feitelijk al gedacht moet worden aan perspectief biedende plaatsing.

Bij oudere kinderen zou dit na maximaal een jaar een afweging moeten gaan worden. In de jeugdbescherming noemt men dit ook wel het opvoedingsbesluit. In de jeugdbescherming hanteert men vaak een termijn van anderhalf jaar waarin nog gewerkt wordt aan terugplaatsing. Ook hierin zitten er risico’s aan de verschillende uitgangspunten en termijnen voor het nemen van een besluit over het perspectief van de uithuisgeplaatste kinderen.

In de praktijk blijkt dat na een uithuisplaatsing het te lang duurt voordat effectieve jeugdhulp wordt ingezet; er is sprake van veel te weinig omgangscontacten, en de crisis-pleeggezinplaatsingen zijn vaak geheim.

Jeugdbescherming kan derhalve vaak niet de inspanningsverplichting leveren die de overheid bij uithuisplaatsing op zich neemt, te weten; het zo snel mogelijk zo intensief mogelijk hulpverlening inzetten in het gezin, zodat de kinderen snel weer terug kunnen, terwijl anderszins pleegzorg al heel snel in het belang van de kinderen wil dat er een opvoedingsbesluit is over waar de kinderen kunnen opgroeien.

Het voorgaande klemt temeer als er kinderen in gescheiden gezinnen zijn ondergebracht omdat vervolgens het perspectief op het opgroeien bij de eigen ouders, maar ook het perspectief om als broers en zussen samen op te groeien in één gezin uit zicht raakt.

De gescheiden werelden van jeugdbescherming en pleegzorg en het ontbreken van zicht op de communicatie hierin dienen de belangen van broers en zussen niet. Juist als het gaat om de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen als een uithuisplaatsing is het van belang dat ouders zo nodig met begeleiding van een gespecialiseerd jeugdrechtadvocaat de belangen van hun kinderen veilig stellen.

Die belangen zijn er soms ook in gelegen de vereiste jeugdhulp af te dwingen als de inspanningsverplichting van de overheid wordt verzaakt. Bijvoorbeeld door het college te dwingen jeugdhulp die niet beschikbaar is elders in te kopen.

Te vaak wordt in dit soort zaken achteraf geconcludeerd door de kinderrechter dat de hele besluitvormingsprocedure geen schoonheidsprijs verdient maar dat de kinderen al zo lang uithuisgeplaatst zijn dat het beter is ze daar te laten opgroeien waar ze inmiddels geworteld zijn. Als je op tijd en eventueel met behulp van een jeugdrechtadvocaat, jeugdbescherming en pleegzorg wijst op hun verplichtingen is de kans op een succesvol traject naar terugplaatsing aanmerkelijk groter.

Speciale aandacht en bijzondere bescherming hierbij verdienen de broers en zussen die gescheiden van elkaar worden geplaatst.