De WMO-uitspraken van 18 mei 2016: Einde resultaatsgebieden in Rotterdam?

Op 18 mei heeft de Centrale Raad een aantal uitspraken gedaan over de toepassing van de nieuwe WMO (NL:CRVB:2016:1402, 1403 en 1404).  Deze uitspraken zijn uitgebreid in het nieuws geweest.  Daarnaast heeft de Centrale Raad op 18 mei 2016 ook nog een uitspraak gedaan in een specifiek Rotterdamse WMO-zaak (NL:CRVB: 2016:1491). In die uitspraak bevestigde de Centrale Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2014 waarin de rechtbank had geoordeeld dat de door de gemeente bij de beoordeling van WMO-aanvragen gebruikte resultaatsgebieden een objectieve maatstaf missen, omdat de gemeente niet duidelijk maakt op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan de te behalen resultaten (bijvoorbeeld een schoon en leefbaar huis). De Centrale Raad vindt dat het daardoor voor de cliënt onvoldoende duidelijk is welke zorg hij concreet kan verwachten.

Deze zaak speelde nog onder de oude WMO, maar omdat Rotterdam ook onder de nieuwe WMO met resultaatsgebieden werkt is het te verwachten dat de Rotterdamse werkwijze ook nu niet aan de eisen voldoet die de Centrale Raad daaraan stelt.  De gemeente Rotterdam zal daarom de regels moeten aanpassen, maar wethouder De Jonge verwacht dat het werken met resultaatsgebieden gehandhaafd kan blijven, blijkt uit deze brief.

De gemeente zal daarbij wel rekening moeten houden met de andere uitspraken die de Centrale Raad op 18 mei gedaan heeft. De Centrale Raad overwoog in die uitspraken  dat de gemeenteraad en het college bij de uitvoering van de WMO weliswaar een grote beoordelingsvrijheid hebben, maar dat dit wel binnen de kaders van de WMO moet blijven (zie m.n. artikel 2.3.5 lid 3 WMO). Dat houdt in dat een door het college geboden maatwerkvoorziening een passende ondersteuning moet geven aan de participatie van de cliënt die daarvoor in aanmerking komt*. De Centrale Raad vindt daarbij ook dat als uit onderzoek blijkt dat in een concreet geval maatwerk moet worden geboden niet zonder meer met standaardoplossingen kan worden volstaan.

Dit houdt bijvoorbeeld in dat het gebruik van een algemene basismodule van 78 uur per jaar voor huishoudelijke hulp niet zomaar is toegestaan. De gemeente zal objectief moeten onderzoeken of met 78 uur per jaar inderdaad een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd en de gemeente kan bij de vaststelling van het aantal uren niet alleen letten op de financiële kaders. De Centrale Raad overwoog daarbij overigens ook dat overleg met gecontracteerde zorgaanbieders en cliëntenraden geen toereikend onderzoek is. De gemeente zal meer moeten doen. Voor wat betreft het realiseren van een schoon en leefbaar huis zal de gemeente Rotterdam dus moeten onderzoeken welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor  nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning.

De gemeente Rotterdam heeft weliswaar een grote beoordelingsvrijheid om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en wat een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie is, maar de gemeente moet daarbij wel zorgvuldig te werk gaan.  De gemeente moet de criteria die ze gebruikt baseren op zorgvuldig onderzoek, zal waar mogelijk rekening moeten houden met redelijke wensen van de cliënt en ten slotte moet het voor de cliënt die daarvoor in aanmerking komt ook duidelijk zijn welke ondersteuning hij concreet kan verwachten. Het is dan ook maar de vraag wat er in de praktijk nog over zal blijven van het Rotterdamse indiceren in resultaatsgebieden.

*) De Centrale Raad heeft in de uitspraken van 18 mei overigens niets gezegd heeft over de wijze van invulling van begrippen als ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijke hulp’ in artikel 2.3.5 lid 3 WMO die vooraf gaan aan een maatwerkvoorziening.  Wel overwoog de Centrale Raad uitdrukkelijk dat de zorg voor het schoon en op orde houden van het huishouden een prestatie is die onder de WMO valt.

Brusjes

”Wie toetst de rechten van broers en zussen op samenplaatsing bij uithuisplaatsing?“
door mr. drs. R.H.P. Feiner [1]

Inleiding
In dit artikel wil ik naar voren brengen dat de kinderrechter bij de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing moet worden afgegeven ingevolge artikel 8 EVRM, zo nodig ambtshalve, moet beoordelen of de uithuisplaatsing van broers en zussen op zorgvuldige wijze geschiedt. Mijns inziens kunnen broers en zussen uit één gezin, op basis van art. 8 EVRM en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bescherming ontlenen tegen de scheiding van elkaar door plaatsing in aparte pleeggezinnen[2]. Deze bescherming lijkt noodzakelijk, nu in de (mijn) praktijk, hoewel cijfers hierover ontbreken[3], te vaak wegens praktische problemen broers en zussen in aparte pleeggezinnen geplaatst worden.

In paragraaf één zal aan de hand van de in september 2015 gepubliceerde richtlijn pleegzorg, afkomstig van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) onderzocht worden in hoeverre er aandacht is voor de problematiek rond het gescheiden plaatsen van broers/zussen (zogenoemde ‘brusjes’) in pleeggezinnen in Nederland. Paragraaf twee geeft weer in hoeverre er door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bescherming wordt geboden aan brusjes. In de derde paragraaf zal de (aandacht voor) bescherming van ‘brusjes’-relaties bij uithuisplaatsingen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië worden onderzocht aan de hand van open source bronnen. Ook in Australië en Duitsland blijkt aandacht voor de problematiek.

Hierna volgt paragraaf vier waarin het wettelijk toetsingskader van de kinderrechter met betrekking tot een zorgvuldige beoordeling van de pleegzorgplaatsing van de ‘brusjes’ wordt beschreven.

Tot slot concludeer ik met een aanbeveling aan de kinderrechter.

Paragraaf I: De problematiek van het gescheiden plaatsen van ‘brusjes’ in pleeggezinnen
De praktijk van matching van uit huis te plaatsen kinderen en pleegouders onttrekt zich vaak aan het oog van de kinderrechter, maar ook aan het oog van de gecertificeerde instelling (GI) en de (gezaghebbende) ouders. Hoewel kan worden voorondersteld dat pleegzorg zorgvuldig te werk gaat, indien een GI verzoekt om kinderen na een uithuisplaatsing onder te brengen in een pleeggezin, gaat dit proces voorbij aan het toezicht van de kinderrechter.

Hoewel ik al enkele jaren in mijn praktijk bemerk dat het zeer lastig is om namens ouders de rechter te vragen, om te toetsen of hij bij de beoordeling of een uithuisplaatsing gerechtvaardigd is, te betrekken de vraag of het kind op een goede alternatieve plek terechtkomt en om te waarborgen dat de kinderen niet gescheiden geplaatst worden, werd ik getriggerd tot het schrijven van dit artikel door de publicatie door het Nederlands Jeugdinstituut van de Richtlijn Pleegzorg in september 2015[4]. Het NJI ontwikkelt richtlijnen op het gebied van jeugdhulp en jeugdbescherming die handvatten bieden aan de professionals op basis van best practices.

Vol nieuwsgierigheid stortte ik mij op de lezing van de heldere richtlijn, waarbij ik extra aandacht had voor de vraag of er aandacht werd besteed aan de problematiek van het gescheiden plaatsen van kinderen uit een gezin in verschillende pleeggezinnen. Op de website van richtlijnenjeugdhulp.nl bevindt zich ook een uitgebreider document van 294 pagina’s ter onderbouwing van de Richtlijn Pleegzorg[5]. Op pagina 143 van die onderbouwing wordt specifiek ingegaan op de matching. Ik citeer:

de morele voorkeur voor het bij elkaar plaatsen van broers en zussen wordt niet door wetenschappelijk onderzoek bevestigd. Het bij elkaar plaatsen van broers en zussen kan goed uitpakken, maar het onderzoek hiernaar is niet consistent.”

Ook onder 2.2, pag. 144 e.v. wordt bij de voorgeschreven matchingsmodellen (= model voor het vinden van een goed pleeggezin voor een kind) geen aandacht besteed aan de afweging bij het zoeken naar een geschikt pleeggezin voor samenplaatsing van broers en zussen. Een zelfde conclusie geldt voor hetgeen onder 2.4, Het proces van matching, wordt opgemerkt. Steevast lijkt de matching te geschieden vanuit de behoefte van een individueel pleegkind ten opzichte van mogelijke pleeggezinnen in plaats van broers en zussen ten opzichte van pleeggezinnen. Op pagina 160 wordt bij Conclusies aangegeven:
onderzoeksbevindingen zijn niet eenduidig over het al dan niet plaatsen van broertjes en zusjes bij elkaar.”

Paragraaf II: Bescherming van brusjes-relaties door het Europees Hof v/d Rechten van de Mens.
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de kinderrechter de zorgvuldigheid van de gehele besluitvormingsprocedure met betrekking tot de uithuisplaatsing moet betrekken bij haar oordeel. Daarbij dient streng gekeken te worden of een uithuisplaatsing proportioneel en noodzakelijk is en zich verhoudt met de rechten van het kind. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is al jarenlang een duidelijk toetsingskader op te maken aan welke voorwaarden een maatregel tot uithuisplaatsing moet voldoen wil deze de inbreuk op het gezinsleven ex artikel 8, tweede lid, EVRM rechtvaardigen[6].

Het Hof heeft expliciet de bescherming van brusjes-relaties onder de bescherming van artikel 8 EVRM getoetst[7]. Ik volsta hier met enkele voorbeelden:

De zaak Saviny tegen Oekraïne
In de zaak Saviny tegen Oekraïne overwoog het EHRM, dat op de overheid de positieve verplichting rust om gedurende de uithuisplaatsing een goed contact tussen ouders en kinderen te realiseren én waar mogelijk zorg te dragen dat broers en zussen bij elkaar blijven.[8]

De Duitse zusjes Corinna en Nicola
Een tweede voorbeeld ziet op de zaak Kutzner tegen Duitsland d.d. 10-07-2002[9]. Ouders klagen bij het EHRM dat zij de ouderlijke macht over hun 2 kinderen, Corinna (geboren 1991) en Nicola (geboren 1993), zijn kwijtgeraakt . Zij klagen dat de inbreuk op het gezinsleven niet gerechtvaardigd was en bovendien dat de procedure die leidde tot de rechterlijke beslissing de toets van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM niet kon doorstaan. In deze zaak zijn de zusjes door de Duitse kinderrechter op 27 mei 1997 uit huis geplaatst in verschillende pleeggezinnen.

Het EHRM herhaalt, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, zijn vaste toetsingskader.[10]  Het Hof is vervolgens bijzonder kritisch ten aanzien van de feiten. Niet alleen zijn de kinderen gescheiden van hun ouders, ze zijn ook gescheiden van elkaar geplaatst in verschillende pleeggezinnen, terwijl gedurende de eerste zes maanden het contact tussen ouders en kinderen ernstig werd bemoeilijkt. Bovendien zijn de kinderen op geen enkel moment gehoord door de kinderrechter.[11] Het Hof is over de gescheiden plaatsing van de kinderen en het ontbreken van contact zeer kritisch door te concluderen dat dit tot verdere oudervervreemding leidt en tot verdere vervreemding van de kinderen onderling. De conclusie van het Hof is dat de redenen van uithuisplaatsing voldeden, maar dat de inbreuk op het gezinsleven niet proportioneel is door de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de uithuisplaatsing. Derhalve concludeert het Hof tot een schending van artikel 8 EVRM  [12]

De zaak Olsson tegen Zweden[13]
De Zweedse kinderen Stefan (1971), Helena (1976) en Thomas (1979) worden in augustus 1980 in een kindertehuis geplaatst. Vanuit het kindertehuis wordt Stefan in februari 1981 geplaatst in een pleeggezin 100 km van ouders vandaan. In 1983 wordt die pleeggezinplaatsing afgebroken en komt Stefan in een tehuis voor verstandelijk beperkte kinderen terecht. Helena en Thomas worden ook in aparte  pleeggezinnen geplaatst, 100 km bij elkaar vandaan en zo’n 600 km van ouders en Stefan. Het Europees Hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was, maar eveneens dat de wijze waarop de uithuisplaatsing geschiedde tot een schending van artikel 8 EVRM leidt.

De Zweedse regering had op het oog goede argumenten.[14] De regering gaf aan dat er een gerechtvaardigde angst bestond dat de ouders de kinderen zouden weghalen, omdat dit eerder was gebeurd met Stefan. Daardoor moest Stefan worden overgeplaatst. De ouders waren niet in staat tot goede communicatie met de pleegouders, hetgeen tot conflicten leidde. Voorts had Stefan gelet op zijn specifieke problematiek ook gespecialiseerde hulp nodig. De scheiding tussen Helena en Thomas werd verdedigd door erop te wijzen dat Helena een te grote verantwoordelijkheid voelde voor haar broertje. Beide kinderen hadden voorts kind-eigen problematiek. Aanvankelijk werd beoogd de kinderen wel in het zelfde dorp onder te brengen, maar op het laatste moment bleek dit praktisch onmogelijk. Het EHRM oordeelt, dat nu het niet een adoptie betrof, maar een uithuisplaatsing, de Zweedse staat de positieve verplichting heeft geschonden om maatregelen te nemen om de gezinshereniging en het contact onderling te realiseren. De redenen voor de gescheiden plaatsing van Helena en Thomas acht het EHRM niet overtuigend. Ook het enkele feit dat Stefan speciale zorg nodig heeft rechtvaardigt onvoldoende de afstand en de daarmee gepaard gaande scheiding van de andere twee kinderen.

“To sum up, the implementation of the care decision, but not that decision itself or its maintenance in force, gave rise to breach of Article 8 (art.8).”[15]

Het Europees Hof toetst de rechten van kinderen bij uithuisplaatsing ex artikel 8 EVRM. Wat in het belang van het kind moet worden geacht in het concrete geval wordt afgewogen aan de hand van in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingscriteria. Deze toetsingsmaatstaf is transparant, streng en uitgebreid en biedt bescherming aan brusjes-relaties.

Paragraaf III: Aandacht voor een zorgvuldige afweging en toetsing tot  wel/niet samenplaatsen in o.a. de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië
In de Verenigde Staten is een heel leesbare folder gepubliceerd over “Sibling Issues in Foster Care and Adoption:” [16]. In tegenstelling tot de gepubliceerde richtlijn in Nederland is in de Verenigde Staten aandacht voor de vraag waarom veel broers en zussen niet samen geplaatst worden of uiteindelijk gescheiden opgroeien. In 2008 werd in de Verenigde Staten de Fostering Connections to Success and Increasing Adoptions act of 2008 geïmplementeerd. Die wet droeg de staten op om zich in te spannen om broers-zussenrelaties te doen behouden. The Provisions of Section 206 provide that reasonable efforts shall be made:

to place siblings removed from their home in the same foster care, kinship, guardianship of adoptive placement, unless the state documents that such a joint placement would be contrary to the safety or well-being of any of the siblings; and

  1. in the case of siblings removed from their home who are not so jointly placed, to provide for frequent visitation or other ongoing interaction between the siblings, unless that state documents that frequent visitation or other ongoing interaction would be contrary to the safety or well-being of any of the siblings.”

In de Verenigde Staten heeft men dus al bijna een decennium geleden wetgeving geïmplementeerd om zorg te dragen dat relaties tussen broers en zussen bij uithuisplaatsing of adoptie zo veel mogelijk beschermd en in stand bleven[17]. Uit de folder blijkt dat het ook in de Verenigde Staten vanwege praktische problemen, bijvoorbeeld het niet beschikbaar zijn van pleeggezinnen die ze beiden wilden opnemen, broers en zussen gescheiden opgroeiden. Uit deze wetgeving blijkt, dat de overheid een bijzondere motiveringsplicht heeft, indien broers en zussen gescheiden worden geplaatst. Daarbij dient de overheid aan te tonen waarom het in het individuele geval beter is ‘brusjes’ te scheiden. De bewijslast ligt bij de overheid.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat een soortgelijke website, namelijk www.familyfutures.co.uk waarin de paper Siblings together or apart is gepubliceerd. Volgens dit artikel zou uit een  studie van Kosonen 1999[18] blijken dat ‘brusjes’ die in het pleegzorgsysteem zaten in interviews zouden hebben aangegeven dat ze graag samen wilden blijven en dat als ze zouden worden gescheiden, ze dan in ieder geval dicht bij elkaar geplaatst willen worden en goed contact willen, kunnen onderhouden met elkaar. Uit een studie van Ivalde 2000[19] in de UK blijkt dat 80% van de kinderen in het pleegzorgsysteem broers of zussen hebben maar slechts 37% is geplaatst met een van de broers en zussen.

In het Verenigd Koninkrijk is ook in wetgeving getracht de brusjes-relatie bij uithuisplaatsing te beschermen. De ‘1989 Children Act’ droeg lokale autoriteiten op zich in te spannen voor het samenplaatsen van brusjes. De ‘2002 Adoption and Children Act’ voegde hieraan toe dat de rechter moest toetsen wat het effect is op het kind van een scheiding van zijn familie en het effect op de relaties met de familieleden.

Mijns inziens kunnen er ook goede argumenten bestaan en zijn die ook gegeven waarom onder omstandigheden het niet in het belang van de kinderen is om samen geplaatst te worden. Hoewel volgens een studie van Rushton e.a. (2001)[20] zou blijken dat kinderen die waren afgewezen door hun ouders een betere ontwikkeling hadden als ze samen werden geplaatst met hun broers en zussen, nu dit voor het kind continuïteit, veiligheid en een goede bijdrage leverde aan de identiteitsontwikkeling, blijkt bijvoorbeeld ook uit studies dat kinderen die seksueel misbruikt zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag kunnen vertonen ten aanzien van broers of zussen, en dit kan leiden tot de conclusie dat het beter is om gescheiden te plaatsen. In 2001 hebben Lord & Bothwick in hun boek Together or Apart?[21], condities en omstandigheden geformuleerd die kunnen leiden tot een afweging in het belang van de kinderen om kinderen gescheiden te plaatsen. In het Verenigd Koninkrijk is er een heuse belangenorganisatie voor brusjes.[22]

De Zuid-Australische ‘Office of the Guardian for Children and Young People’ publiceerde in juni 2011 een overzicht van het (internationaal) juridisch en gedragsdeskundig kader van waaruit plaatsingen van brusjes moeten worden afgewogen.[23] In Australië is vrij recent nog in de krant aandacht gevraagd voor een studie onder 1000 uithuisgeplaatste kinderen bleek dat meer dan 1/3 van de kinderen gescheiden wordt van zijn brusjes bij uithuisplaatsing en slechts 29% van de uithuisgeplaatste kinderen met al zijn brusjes samenwoont.[24]

In Duitsland publiceerde Martina Uchtmann een bachelor-scriptie, waaruit aandacht blijkt voor een zorgvuldige toetsing van deze problematiek.[25] Er is zelfs een professor in Berlijn die op dit gebied onderzoek doet.[26] Al in 2007 werd de juridische en gedragsdeskundige problematiek beschreven.[27]

Duidelijk moge zijn dat er in diverse landen veel is gepubliceerd over de problematiek van het gescheiden opgroeien van brusjes na uithuisplaatsing. In de VS en het VK is specifieke wetgeving gerealiseerd. In Australië en Duitsland is transparant beleid te vinden, met als uitgangspunt dat brusjes zo mogelijk samen opgroeien.

Paragraaf IV: Het wettelijk toetsingskader van de kinderrechter
Het ontbreken van een transparant afwegingsmodel binnen pleegzorg maakt a priori dat de zorgvuldigheid van het gescheiden plaatsen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing niet zorgvuldig kan worden getoetst. Ik zie geen lijn in de Nederlandse kinderrechtspraak om hierin een toetsingskader te formuleren. Voor een zorgvuldige toetsing van de rechten van brusjes is van belang dat de kinderrechter de oogkleppen afdoet en in zijn beslissing mede toetst of de kinderen wel op zorgvuldige wijze uit huis worden geplaatst. Informatie over de plaatsingsbeslissing (Waar? Waarom daar? Bij wie? Frequentie contact ouders? Brusjes onderling?, enz.) moet door de Gecertificeerde instelling of de Raad voor de Kinderbescherming worden overgelegd. Praktische problemen binnen het stelsel, zoals een tekort aan pleeggezinnen, kunnen in beginsel geen rechtvaardiging bieden voor een gescheiden plaatsing van brusjes. De overheid dient als dan meer financiën en begeleiding voor pleegzorg beschikbaar te stellen om de belangen van de brusjes voorop te stellen.

In FJR 2015/29, Ambtshalve rechterlijke beoordeling van de rechten van het kind voortvloeiend uit artikel 8 EVRM? concludeert mr. Chebti dat uit de jurisprudentie van het EHRM, o.a. Jeunesse vs. Nederland en Menneson vs. Frankrijk, kan worden afgeleid dat kinderen rechten aan artikel 8 EVRM kunnen ontlenen die zowel qua inhoud als reikwijdte niet identiek zijn aan de rechten van hun ouders. Dat betekent dat elke rechter bij een afweging van belangen in het kader van een beroep op artikel 8 EVRM kinderen als zelfstandige rechtssubjecten dient te benaderen en hun recht op een ongestoord family life of private life zelfstandig en kenbaar dient te betrekken in zijn beoordeling. Ik deel die conclusie.

Hier volsta ik met de vaststelling dat het toetsingskader dat de kinderrechters gebruiken in de Nederlandse rechtspraak niet kan tippen aan de vereisten die het Europees Hof volgens vaste rechtspraak stelt (helaas is er, in tegenstelling tot het toetsingsmodel van 348/350 Sv in het jeugdstrafrecht of het toetsingsmodel bij de bestuursrechter, bij de kinderrechtspraak sprake van een vrije motivering, waarbij niet volgens een vast omlijnd toetsingsmodel de verzoeken omtrent machtigingen uithuisplaatsing getoetst worden[28]). Feitelijk kan het model van het EHRM worden omarmd. Eventueel kan vaker dan voorheen in dit soort zaken een bijzonder curator worden benoemd, die de zorgvuldigheid van de uithuisplaatsing van brusjes toetst.

Conclusie
In mijn bijdrage heb ik uw aandacht gevraagd voor het gebrek aan zicht en toetsing van de kwaliteit van de pleegzorgplaatsing van kinderen na uithuisplaatsing in dezelfde gezinnen in Nederland. De pleegzorgrichtlijn 2015 van het NJI bevestigt de oorverdovende stilte op het gebied van rechtsbescherming aan brusjes bij uithuisplaatsing. Als mede-opsteller van de brief van bezorgde jeugdrechtadvocaten uit 2008 herinner ik mij dat ook toen reeds aandacht werd gevraagd voor deze kwestie. De wens tot samenplaatsen van broers en zussen in pleegzorg berust niet slechts op een morele voorkeur. De brusjes-relatie is de langst mogelijke relatie die mensen met elkaar aan kunnen gaan. Langer dan met de (pleeg-)ouders. Het betreft een biologische en juridische band, waaraan brusjes bij de scheiding van hun ouders en lang daarna op welke manier dan ook steun kunnen hebben.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dient de besluitvormingsprocedure als geheel te worden getoetst, waarbij het EHRM expliciet ook aandacht heeft gevraagd (in het kader van de vraag of een inbreuk op het gezinsleven in de vorm van de uithuisplaatsing proportioneel en gerechtvaardigd kan zijn) voor het recht van samen opgroeien van broers en zussen, althans zoveel mogelijk contact.

In de VS en het VK is wetgeving geïmplementeerd om de rechten van brusjes(-relaties) bij uithuisplaatsing te borgen. Uit een kort open source onderzoek blijkt dat er aandacht en transparant beleid is voor de bescherming van brusjes-relaties bij uithuisplaatsing in landen als Duitsland, Australië, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.

Nu het recht op gezinsleven tussen broers en zussen wordt beschermd door artikel 8 EVRM mag een beslissing broers en zussen te scheiden slechts worden genomen na een zorgvuldige afweging van belangen, waarbij broers en zussen bescherming verdienen tegen willekeurige inmenging op dat beschermde recht om samen op te groeien. De rechter moet aldus in het licht van de jurisprudentie van het EHRM in het kader van artikel 8 EVRM jo. artikel 3 IVRK bij elke afweging om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen zich ervan vergewissen dat op een zorgvuldige wijze is afgewogen dat broers en zussen samen geplaatst worden en kunnen slechts kindgerichte afwegingen rechtvaardigen dat broers en zussen gescheiden opgroeien. De bewijslast ligt bij de RvdK of de GI. Hierin zijn niet de wensen van pleegouders, of de onmogelijkheid van het systeem leidend, maar de rechten van kinderen.

Beste werkgroep kinderrechters: Gaarne verzoek ik u te komen tot een uniform toetsingskader, waarbij conform artikel 8 EVRM ook het recht van brusjes op samenplaatsing bij het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing integraal wordt afgewogen.

 

[1] Reinier Feiner is advocaat bij Advokatenkollektief Rotterdam. Ik dank Kimberly Rozema, masterstudent Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden, voor haar commentaar tijdens het schrijven van dit stuk.

[2] Zie ook de niet-bindende UN-guidelines alternative care, recommendation “17. Siblings with existing bonds should in principle not be separated by placements in alternative care unless there is a clear risk of abuse or other justification in the best interests of the child. In any case, every effort should be made to enable siblings to maintain contact with each other, unless this is against their wishes or interests.” Via http://www.unicef.org/protection/alternative_care_Guidelines-English.pdf Over

[3] Het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) geeft aan dat in Nederland niet landelijk wordt bijgehouden hoeveel broers en zussen bij uithuisplaatsing gescheiden worden geplaatst (telefonische informatie d.d. 27-10-2015)

[4] http://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/pleegzorg

[5] http://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/wp-content/uploads/2015/08/Richtlijn-Pleegzorg_Onderbouwing_Beveiligd.pdf

[6] Een voorbeeld van het toetsingskader: EHRM 24 september 2012, nr.4547/10, Y.C v. UK, paragraven 133-139.  Zie voor een uitgebreid overzicht: FJR-congresbundel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Commentaren op het voorontwerp van wet, Kluwer 2008, p.41-86 de bijdrage van Caroline Forder: 4. Gaat het voorontwerp van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen te ver of juist niet ver genoeg?- Het voorontwerp getoetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden

[7] Out of home, out of right? Rechten van kinderen bij uithuisplaatsing, van der Zon en Bruning in NJCM Bulletin 2013/39, nr.4. Auteurs concluderen dat er werk aan de winkel is ter implementatie van de rechten van kinderen bij uithuisplaatsing.

[8] EHRM 18 december 2008, nr. 39948606, paragraaf 52. NJCM Bulletin juli/augustus 2009, pag. 523-535 met (uitstekende) noot BW over het toetsingskader van het EHRM.

[9]  EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany.

[10] EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 76.

[11] EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 77 + 78.

[12] Ihkv de vechtscheiding wordt het begrip oudervervreemding als een vorm van psychische kindermishandeling beschouwd. EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 79-82.

[13] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1)

[14] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1), paragraaf 79.

[15] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1), paragraaf 81-84.

[16] https://www.childwelfare.gov/pubs/siblingissues

[17] http://youthlaw.org/publication/keeping-siblings-together-past-present-and-future , artikel van Emily Kernan, 2005 over de ontwikkelingen van het recht op het gebied van brusjes-relaties in de VS.

[18] Kosonen, M 1999, ‘Core and kin siblings. Foster children’s changing families’, We are Family: Sibling Relationships in Placement and Beyond, ed. A Mullender, British Association for Adoption and Fostering

[19] Ivaldi G, Surveying Adoption: A comprehensive analysis of local authority adoption 1998/9 – England, London: BAAF, 2000

[20] Rushton, Dance, Quinton en Mayes, Siblings in late Permanent Placements, London Baaf, 2001.

[21] Bothwick en Lord, Together or Apart?, London Baaf, 2008.

[22] http://siblingstogether.co.uk/the-need/

[23] http://gcyp.sa.gov.au/wp-content/uploads/2011/07/2011-07-22-Sibling-Contact-Literature-Review-final.pdf

[24] http://mobile.abc.net.au/news/2015-06-15/children-separated-from-siblings-in-foster-care-feel-powerless/6546110: Children seperated from siblings in foster care feel powerless, anxious, CREATE foundation study finds (McDowall, J. J. (2014). Sibling placement and contact in out-of-home care. Sydney: CREATE Foundation.) http://create.org.au/wp-content/uploads/2015/02/CREATE-Position-Paper-Sibling-Contact-FINAL.pdf

[25]http://www.stiftungpflegekind.de/fileadmin/templates/szwdpk/media/user_upload/Thesis_Die_Fremdunterbringung_von_Geschwistern_durch_die_Kinder_und_Jugendhilfe.pdf, M.Uchtmann 2014

[26] https://pfad.wordpress.com/2010/02/11/geschwisterkinder-gemeinsam-oder-getrennt-unterbringen-%E2%80%93-studien-zur-rechtsgrundlage-und-zur-praxis-der-jugendamter-veroffentlicht

[27] http://www.kjp-muehlhausen.de/download/voelker2.pdf Völker, M. / Eisenbeis, S. / Düpre, B. (2007): Zur getrennten Vermittlung von Geschwisterkindern in Pflegefamilien durch Amtsvormünder aus rechtlicher, psychologischer und sozialpädagogischer Sicht. In: Zeitschrift für Kindschaftsrecht und Jugendhilfe 1 2007 S. 5-8. Köln: Bundesanzeigerverlag

[28] Ik kan geen formeel juridisch toetsingsmodel ontdekken in de Nederlandse kinderrechtspraak.

Individuele Inkomenstoeslag Rotterdam (vervolg)

Op 15 april 2016 heeft wethouder Struijvenberg in een brief aan de gemeenteraad gereageerd op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart waarin de verordening individuele inkomenstoeslag onverbindend was verklaard. De gemeente Rotterdam is niet in hoger beroep gegaan en zal de verordening aanpassen. Het voorstel hiertoe zal naar verwachting in juni door de raad behandeld worden.

Dit houdt overigens niet in dat mensen nu automatisch recht hebben op individuele inkomenstoeslag. Mensen die een aanvraag indienen of ingediend hebben ontvangen een verdagingsbesluit waarin staat dat een beslissing genomen wordt zodra de nieuwe verordening van kracht is. Op grond van artikel 4:14 lid 3 Awb mag de gemeente een verdagingsbesluit nemen als het niet lukt om een besluit binnen 8 weken te nemen, maar in dat besluit moet wel een redelijke termijn worden genoemd waarbinnen de aanvrager het besluit wel tegemoet kan zien. Bovendien moet een verdagingsbesluit eigenlijk wel binnen de termijn van 8 weken genomen worden, zodat de beslistermijn strikt genomen niet met een verdagingsbesluit kan worden verlengd in die gevallen dat de aanvraag al meer dan 8 weken in behandeling is. Overigens kan de beslistermijn in dat geval wel worden verdaagd als de aanvrager het daarmee eens is. Als de aanvrager het daarmee niet eens is kan een ingebrekestelling worden verzonden, maar dan kan de gemeente nog wel een besluit nemen op grond van de oude verordening, ook al is deze onverbindend.  Tegen dat besluit  kan dan wel bezwaar gemaakt worden.

Het bovenstaande geldt niet voor mensen die bezwaar hebben gemaakt tegen een afwijzing van individuele inkomenstoeslag. In die gevallen geldt natuurlijk wel de wettelijke termijn waarbinnen op bezwaar beslist moet worden. Ook procedures bij de rechtbank lopen nog  gewoon door.

Of mensen toch recht hebben op individuele inkomenstoeslag hangt uiteindelijk van de inhoud van de nieuwe verordening af. Zodra hierover meer bekend is informeren wij u verder.