Het nieuwe WMO-beleid thuiszorg in Rotterdam blijft te onduidelijk.

In zijn brief van 7 oktober 2016 heeft wethouder De Jonge bericht hoe de gemeente Rotterdam omgaat met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over huishoudelijke hulp. Zie ook ons eerdere bericht hierover.

De wethouder had eerder aangekondigd dat de beleidsregels zouden worden geconcretiseerd, dat het leveringsplan van cliënt en zorgaanbieder zou worden aangescherpt en dat de beoordeling van het leveringsplan deel uit gaat maken van de besluitvorming. In de zomer heeft de gemeente hierover overleg gevoerd met de Brede Raad en zorgaanbieders.

In augustus 2016 zijn de beleidsregels gewijzigd (Gemeenteblad 2016/138). In het nieuwe beleid is nauwkeuriger omschreven wat een schoon en leefbaar huis inhoudt en hoe dat moet worden gerealiseerd. Desondanks blijft in het beleid nog behoorlijk wat beoordelingsruimte bestaan. Zo staat bijvoorbeeld in artikel 7.1 dat het schoonmaken van de keuken één keer per week of één keer per twee weken hoeft te gebeuren zonder dat heel concreet staat aangegeven wanneer met één keer per twee weken kan worden volstaan en wat de duur van de schoonmaakwerkzaamheden dan is.

Met ingang van 10 oktober 2016 geldt ook een nieuwe werkwijze waarbij cliënt en zorgaanbieder het bovenstaande beleid concreet maken door in het leveringsplan zowel de frequentie van de werkzaamheden als de frequentie van de aanwezigheid van de hulp vast te leggen.  Als de cliënt het met de inhoud van het plan niet eens is, dan kan hij dat tegen de zorgaanbieder zeggen.  Als zorgaanbieder en klant het niet eens worden dan zal het leveringsplan ter beoordeling naar de gemeente worden gestuurd. Als de cliënt het daarna oneens blijft met de inhoud van het leveringsplan, dan kan de cliënt bezwaar maken tegen het uiteindelijk genomen besluit.

Deze nieuwe werkwijze houdt dus in dat er een soort tweede keukentafelgesprek komt waarin de cliënt samen met de zorgaanbieder het leveringsplan op moet stellen. Zo’n tweede gesprek kan met name voor de oudere of gehandicapte cliënt belastend zijn. Het is daarbij belangrijk dat de cliënt goed oplet hoe het leveringsplan wordt ingevuld en dat als de cliënt het niet eens is hij in het plan aangeeft dat hij niet akkoord is met de inhoud, want alleen als de cliënt daar zelf om vraagt zal de gemeente het leveringsplan inhoudelijk beoordelen en daarover een besluit nemen.

Het werken met resultaatsgebieden zoals Rotterdam dat doet leidt niet per definitie tot onvoldoende hulp voor de klant, maar de criteria waarop het resultaat schoon en leefbaar huis is gebaseerd zijn nog steeds dermate onduidelijk dat het risico dat dit toch gebeurt, groot is. Het recente rapport ‘Schone Schijn’ van de Rotterdamse rekenkamer laat zien dat dit risico reëel is. Met de nieuwe beleidsregels ondervangt de gemeente dat risico maar ten dele.

Daarnaast past het beleid nog steeds niet binnen het systeem van de WMO waarin het college aan de hand van objectieve criteria het recht op ondersteuning vast moet stellen. Omdat de zorgaanbieder met de klant het leveringsplan invult, houdt de zorgaanbieder in de praktijk toch een grote mate aan beoordelingsvrijheid bij het concreet vaststellen van het recht van de klant op ondersteuning terwijl eigenlijk de gemeente dat moet doen.

Als u het niet eens bent met de inhoud van het leveringsplan omdat u vindt dat de daarin door de zorgaanbieder te leveren zorg onvoldoende is, dan moet u dat melden aan de gemeente. Als u het daarna oneens blijft dan moet u op tijd in bezwaar gaan tegen het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt. Dat bezwaar is niet kansloos, omdat de criteria waarmee de gemeente de beoordeling doet waarschijnlijk nog steeds onvoldoende objectief en concreet zijn om aan de eisen van de WMO te voldoen.

Als u vragen heeft over het opstellen van het leveringsplan of bezwaar wilt maken tegen een besluit van de gemeente over huishoudelijke hulp dan kunt u hierover contact opnemen met een van onze advocaten van de sectie Sociale Zekerheid of op vrijdagmiddag het spreekuur bezoeken.

Uithuisplaatsing kinderen zonder goedkeuring van de rechter

Steeds vaker komt het voor dat, indien hulpverleningsinstanties grote zorgen hebben over de veiligheid van kinderen, ouders worden bewogen om vrijwillig mee te werken aan de uithuisplaatsing van hun kinderen. In Rotterdam gebeurt dit vaak in het kader van een zogenaamd “drangtraject” en wordt de beslissing tot het inzetten van hulpverlening onder drang gemaakt door het Jeugdbeschermingsplein. In de regio Haaglanden noemt men de inzet van hulpverlening bij ernstige zorgen zonder rechterlijke toetsing “preventieve jeugdbescherming”.

Als ouders en kind goed samenwerken met de hulpverleningsinstanties en zich hierbij gesterkt voelen is goede en eventueel intensieve vrijwillige hulpverlening te prevaleren boven het zogenaamde ‘gedwongen kader’. Onder omstandigheden kan een tijdelijke vrijwillige uithuisplaatsing aangewezen zijn.

Ik maak mij zorgen over de mate waarin ouders vrijwillig toestemming geven voor een uithuisplaatsing. Veel cliënten handelen vanuit een angst dat, als de situatie wordt voorgelegd aan de kinderrechter, dit het allemaal alleen maar erger maakt. Die angst is vaak onterecht. De kinderrechter is er nu juist om te beoordelen wat er aan de hand is en hoort daarbij zowel de ouders als de hulpverlening. Ouders (en kinderen vanaf 12 jaar) hebben het recht gehoord te worden en het recht zelf stukken of een plan van aanpak in te dienen, om te laten zien dat zij het niet eens zijn met de gestelde zorgen. Zij hebben ook het recht andere, minder heftige alternatieven naar voren te brengen om de situatie op te lossen.

Binnen een juridisch kader van bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling hebben ouders naast plichten ook diverse rechten, die niet afdwingbaar zijn bij vrijwillige medewerking. Een voorbeeld is dat er binnen zes weken een schriftelijk plan van aanpak ligt, waarin wordt beschreven welke zorgen er zijn en op welke wijze, binnen welke termijn en met welke jeugdhulp wordt getracht het tij te keren. Dit biedt handvatten aan ouders om te borgen dat noodzakelijke jeugdhulp ook daadwerkelijk binnen een redelijke termijn wordt ingezet.

Ouders hebben daarnaast ook de mogelijkheid bij onoverbrugbare verschillen de kinderrechter (met behulp van een advocaat) te vragen om te bemiddelen (geschillenregeling kinderrechter). Het blijft, met of zonder juridische maatregel primair de verantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouders om te bewaken dat noodzakelijk geachte hulp ook daadwerkelijk wordt geleverd. Wachtlijstproblematiek, niet ingekochte – maar wel noodzakelijke – jeugdhulp, stilzitten van jeugdbescherming door ziekte of vervanging mogen immers niet ten koste gaan van het kind.

Ook bij een vrijwillige uithuisplaatsing kan het voorkomen dat de zorgen bij de hulpverlening mettertijd niet afnemen, maar juist toenemen. Een aanvankelijk vrijwillige uithuisplaatsing wordt dan na enkele maanden alsnog mogelijk omgezet in een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De zogenaamde aanvaardbare termijn (ruwweg binnen 1,5 jaar na uithuisplaatsing moet het perspectief waar het kind zal opgroeien vastgesteld zijn) begint echter te lopen vanaf de feitelijke uithuisplaatsing.

Netwerkplaatsing

Een voorbeeld is dat ouders die tijdelijk niet voor hun kinderen kunnen zorgen, bijvoorbeeld vanwege een behandeling vanwege psychische problemen, zelf binnen het netwerk een zogenaamd netwerkpleeggezin voorstellen. Voordat kinderen binnen het netwerk geplaatst kunnen worden is het vaak zo dat een pleegzorgorganisatie een zogenaamde netwerkscreening afneemt, waarbij weigeringsgronden kunnen zijn gelegen in het feit dat op het voorgestelde adres sprake is van iemand die in aanraking gekomen is met justitie of zelf een jeugdbeschermingsverleden heeft. In dat geval wordt aan ouders aangegeven dat die mogelijkheid niet bestaat, terwijl er gegeven het alternatief, namelijk plaatsing in een nog onbekend pleeggezin, waarbij het zeer de vraag is hoe vaak de mogelijkheid bestaat tot contact en omgang, ten onrechte niet wordt afgewogen waar het kind beter af is. In die situatie kan het goed zijn de kwestie voor te leggen aan de kinderrechter.

Twijfelt u of u vrijwillig akkoord moet gaan met uithuisplaatsing van uw kind(eren) of wenst u informatie over de mogelijkheden om alternatieven voor te stellen? Wilt u weten wat uw rechten zijn of wilt u bijstand? Aarzel dan niet om vrijblijvend contact op te nemen met een van onze advocaten.