Wajong: Wie thuis zelf afwast, heeft arbeidsvermogen?

De nieuwe Wajong bestaat al weer 2 jaar. Het UWV is bezig met de herbeoordeling van de mensen die voor 2015 al recht op een Wajong- uitkering hadden en intussen zijn ook de eerste gerechtelijke uitspraken over de Wajong 2015 verschenen.
De Wajong 2015 gaat uit van een heel ander criterium dan voorheen.  Sinds 2015 bestaat in beginsel alleen recht op een Wajong uitkering als iemand op zijn 18e verjaardag als gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheid tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 1a:1  Wajong).

Het nieuwe criterium gaat uit van een absolute maat: Je hebt duurzaam geen arbeidsvermogen of wel. De loonvergelijking onder de oude Wajong is  vervangen door een beoordeling van de arbeidsmogelijkheden. Iemand die minder dan het minimumloon kan verdienen, maar bijvoorbeeld met behulp van loonkostensubsidie aan het werk zou kunnen heeft dus in beginsel arbeidsvermogen en valt dan niet onder de Wajong. Misschien bestaat in dat geval recht op een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dan kunnen wel onder andere de uitsluitingsgrond wegens studiemogelijkheden (artikel 13 lid 1 sub c) en de kostendelersnorm (artikel 22a) van toepassing zijn. Dit geldt overigens niet voor mensen waarvan tijdens de herbeoordeling komt vast te staan dat zij over arbeidsvermogen beschikken. Zij behouden een Wajong-uitkering, maar die wordt per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

In artikel 1a van  het Schattingsbesluit is uitgewerkt wat onder geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verstaan:
– geen taak uit kunnen voeren in een arbeidsorganisatie;
– niet over basale werknemersvaardigheden kunnen beschikken;
– niet aaneengesloten ten minste een periode van een uur kunnen werken;
– niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn, tenzij men ten minste 2 uur per dag belastbaar is en in staat is om ten minste het minimumloon per uur te kunnen verdienen.

Iemand heeft geen arbeidsvermogen als een van deze vier punten van toepassing is.  Om recht op een uitkering te krijgen moet echter ook gekeken worden of het arbeidsvermogen zich niet alsnog kan ontwikkelen. Het ontbreken van arbeidsvermogen moet duurzaam zijn.

Het UWV heeft voor de uitvoering van de Wajong 2015 een werkinstructie gemaakt die is gepubliceerd in het Compendium Participatiewet. Dit is geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb, maar wordt door rechters wel als interne werkinstructie gezien. Dat houdt in dat het UWV bij het motiveren van besluiten op grond van de Wajong 2015 zich niet kan beperken tot een verwijzing naar de inhoud van het Compendium, maar dat de burger zich in een procedure hierop wel kan beroepen.

Anders dan voorheen legt de verzekeringsarts onder de Wajong 2015 de beperkingen van een cliënt niet meer vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst waarna de arbeidsdeskundige berekende hoeveel procent iemand arbeidsongeschikt is. In plaats daarvan beschrijft de verzekeringsarts nu in meer algemene termen welke participatieproblemen iemand heeft waarna de arbeidsdeskundige een analyse van het arbeidsvermogen maakt. Hierin worden echter geen concrete functies meer geselecteerd.  De arbeidsdeskundige legt in meer algemene termen de voor de cliënt geldende  voorwaarden voor het functioneren in werk en in werkomgeving vast.

Hieronder zal ik de vier criteria uit het Schattingsbesluit bespreken:

1.Een taak

Een taak wordt in het Schattingsbesluit beschreven als het kleinste onderdeel van een functie, die bestaat uit een of meerdere handelingen (zie art 1a lid 2 SB).
Het UWV heeft voor de toepassing van de Wajong 2015 een takenbestand gemaakt. De inhoud is gerelateerd aan stages in het praktijkonderwijs: Groen, zorg en welzijn, dienstverlening en techniek. Een voorbeeld van een taak is ‘handmatig afwassen’.

De arbeidsdeskundige moet minimaal 1 taak kunnen selecteren. Bij het selecteren van een taak kijkt het UWV naar taken die klant in het dagelijks leven uitvoert. Vervolgens toetst het UWV of iemand kan voldoen aan de voorwaarden die staan in de taakomschrijving. Zoals bijvoorbeeld handmatig afwassen. Dagelijkse activiteiten spelen ook een rol. Wie wel eens kantinedienst draait op een sportclub (en daar afwast) zal al snel geacht worden die taak te kunnen verrichten. Als het UWV uit het dagverhaal geen taak kan afleiden dan moet de geschiktheid van een taak uitgebreider worden gemotiveerd.

Let op dat het takenbestand geen matchingsinstrument is zoals het CBBS in de WIA en de oude Wajong. De arbeidsdeskundige hoeft daarom niet te onderzoeken of de belasting die in een taak voorkomt (bv. 60 cm reiken) binnen de beperkingen van een klant valt. De taken hoeven ook niet als aparte functie voor te komen. De taken zijn alleen bedoeld om aannemelijk te maken dat iemand arbeidsvermogen heeft. Het is niet gezegd dat iemand die taak moet gaan doen of dat der geselecteerde taak ook de enige taak is die iemand kan doen.

Wie thuis afwast heeft daardoor nog geen arbeidsvermogen, maar de kans is groot dat hij daarmee wel aan 1 van de voorwaarden heeft voldaan.

2. Basale werknemersvaardigheden

Als iemand een taak kan uitvoeren wil dat nog niet zeggen dat hij die handelingen ook in een arbeidsorganisatie kan verrichten. Hiervoor moet iemand wel over basale werknemersvaardigheden  beschikken. Het UWV heeft in het Compendium omschreven wat dat begrip inhoudt:

– een opdracht kunnen begrijpen, onthouden en uitvoeren;
– werkgeversgezag accepteren.

Het UWV ziet tempo en gedrag overigens niet als basale werknemersvaardigheden (zie pagina 46 van het Compendium), maar laat het bij de beoordeling van een uur kunnen werken of ten minste 4 uur per dag belastbaar kunnen zijn een rol spelen.

Let op dat wanneer het UWV aannemelijk maakt dat via bijvoorbeeld begeleiding op de werkplek er voor kan worden gezorgd dat iemand een opdracht zal begrijpen, onthouden en uitvoeren en om kan gaan met werkgeversgezag er niet (duurzaam) sprake is van het ontbreken van basale werknemersvaardigheden.

3. Een uur aaneengesloten kunnen werken

Het gaat erom dat niet vaker dan één keer per uur wegens ziekte of gebrek een substantiële onderbreking van het werk nodig is. Het even vertreden is overigens geen substantiële onderbreking en het is bij de beoordeling van dit punt niet relevant of permanent toezicht noodzakelijk is.
In het compendium richt het UWV de beoordeling van dit aspect met name op gedrags- en concentratieproblemen die het  aaneengesloten kunnen werken onmogelijk kunnen maken. Daarbij lijkt het erop dat als iemand langdurig kan gamen of TV kijken het ook mogelijk moet zijn om een uur aaneengesloten te kunnen werken (pagina 56 van het Compendium).

4. Ten minste vier uur per dag belastbaar zijn of ten minste twee uur het minimumloon per uur kunnen verdienen.

Aan deze beoordeling ligt de aanname ten grondslag dat wanneer iemand minder dan 4 uur per dag kan werken, niet verwacht kan worden dat een werknemer zo iemand in dienst neemt.
Bij de beoordeling maakt de verzekeringsarts gebruik van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ die ook voor de WIA of WAO wordt gebruikt. De verzekeringsarts hoeft zich bij de Wajong 2015 echter alleen over uit te spreken of iemand ten minste vier uur of eventueel twee uur per dag belastbaar is . De vraag of dat meer is en zo ja, hoeveel meer, hoeft niet te worden beantwoord.

Duurzaam geen arbeidsvermogen
Als het UWV vaststelt dat iemand niet over arbeidsvermogen beschikt zal ook gekeken moeten worden of iemand geen arbeidsvermogen zal kunnen ontwikkelen. Het duurzaamheidsbegrip in de Wajong 2015 lijkt niet hetzelfde te zijn als het begrip duurzaam arbeidsongeschikt in artikel 4 van de WIA.

In het Compendium heeft het UWV een beoordelingskader ontwikkeld dat uitgaat van een stappenplan (pagina 66 e.v.).

Stap 1:  De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.
Stap 2: De verzekeringsarts stelt vast of er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en dat de aandoening zodanig ernstig is dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.

Stap 3: De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang: Het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Dit stappenplan geldt overigens niet voor de (oude) Wajonggerechtigden die herbeoordeeld worden. Op grond van artikel 3:8a lid 3 Wajong geldt dat zij die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben op die dag geacht worden dat duurzaam niet te hebben. Het UWV hoeft dan in de herbeoordeling niet te onderzoeken of iemand nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen.

Toepassing in de praktijk

Het effect van de Wajong 2015 is dat sindsdien de instroom aanmerkelijk is gedaald. Het UWV rapporteerde in de januarinota en de juninota van 2016 de volgende cijfers:

2014: instroom 18.000 personen (inclusief heropeningen van oude uitkeringen).
2015: geraamde instroom 6.000 / daadwerkelijk 4.500 (inclusief heropeningen, Wajong 2015 = 1.300).
2016: geraamde instroom 3.700  personen (inclusief Wajong 2015: 1.700 personen)

De staatssecretaris schreef op 17 december 2015 aan de Tweede Kamer dat het aantal aanvragen in het begin van 2015 met 60% was gedaald. En het CBS rapporteerde op 31 augustus 2016 dat onder andere door de nieuwe Wajong ten opzichte van juni 2015 16% meer jongeren tot 27 jaar in bijstand waren gekomen.

Het blijkt in de praktijk niet eenvoudig om aan te tonen dat iemand duurzaam geen arbeidsvermogen op grond van de Wajong 2015 heeft. De uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 3 november 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:6931) laat echter zien dat het zo nu en dan toch lukt. Gelet op deze uitspraak lijken de kansen op succes te stijgen als men er in slaagt om verklaringen van artsen, behandelaars, praktijkbegeleiders en voormalige werkgevers te overleggen die onderstrepen dat iemand geen arbeidsvermogen heeft en ook niet over leervermogen beschikt om dat eigen te maken.

Dit kan een probleem vormen bij herbeoordelingen of laattijdige aanvragen, omdat de aanvragen dan veelal wat ouder is en al geruime tijd niet meer naar school gaat.  Een recente verklaring van een praktijkbegeleider waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de stage mislukte zal dan veelal ontbreken. Overigens heeft de staatssecretaris op 2 december 2016 aan de Tweede Kamer geschreven dat het UWV constateert dat met het oplopen van de leeftijd van de Wajongers de indicatoren waarop men de voorlopige indeling baseert steeds minder goed voorspellen of er sprake is van arbeidsvermogen. Het UWV heeft daarop besloten de voorlopige indeling voor het laatste leeftijdscohort op basis van minder indicatoren uit te voeren. Dit betekent dat meer mensen dan oorspronkelijk verwacht zullen worden ingedeeld in de categorie «geen arbeidsvermogen». Deze wijziging maakt het ook mogelijk dat UWV de herindeling conform afspraak kan afronden (34352, nr. 50).

Rechtbanken overwegen verder snel dat op grond van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep dat aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en een arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) een bijzondere waarde toekomt, mits deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Daardoor is het in de praktijk vaak lastig  voor de betrokkene om de conclusies van het UWV te weerleggen. De wijze waarop het UWV onder de Wajong 2015 rapporteert maakt dat niet makkelijker. Na het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens in de zaak Korošec tegen Slovenië (zaak nr. 77212/12) is het echter de vraag of een rechtbank daarmee kan blijven volstaan. Ik meen dat rechters bij enige twijfel juist sneller een onafhankelijke deskundige moeten benoemen om de zaak te onderzoeken.

Conclusie
Wie bijvoorbeeld zelf afwast en veel gamet heeft nog geen arbeidsvermogen als bedoeld in de Wajong 2015, omdat het nog niet zegt dat iemand ook ten minste vier uur per dag in een werkomgeving kan functioneren. Desondanks kan het UWV in de praktijk toch snel oordelen dat iemand wel aan de vier criteria van arbeidsvermogen voldoet.

Dat wil nog niet zeggen dat een weigering of een negatieve uitkomst van een herbeoordeling een juist besluit is. Op de rapportages van de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts van het UWV en op de inhoud van het Compendium Participatiewet is nog wel wat af te dingen. Als u vragen heeft over de uitkomst van uw herbeoordeling of over een beslissing op uw aanvraag van een Wajong uitkering of als u bijstand wilt in een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een besluit van het UWV dan kunt u hierover telefonisch of per email contact opnemen met Mark Hüsen (m.husen@advokatenkollektief.com).