Is het pgb van de gemeente voldoende voor uw thuishulp?

Als iemand van de gemeente een pgb krijgt op grond van de WMO  dan moet de gemeente ook beoordelen of met het pgb de benodigde zorg kan worden ingekocht.

Als de zorg wordt geïndiceerd in uren , dan is met behulp van het uurtarief dat de gemeente hanteert  nog wel  na te gaan hoeveel hulp de betrokkene in kan kopen en of dat voldoende is.  Dat wordt ingewikkelder als een gemeente – zoals Rotterdam – werkt met resultaatsgericht indiceren. De indicatie is dan niet gebaseerd op uren, maar op vaste bedragen. Hoe beoordeel je dan wat in een concreet geval het te bereiken resultaat is en of een pgb toereikend is om daarvoor voldoende zorg in te kunnen kopen?

De gemeente Rotterdam herleidt het pgb naar het tarief voor zorg in natura dat wordt  uitbetaald aan zorgaanbieders en naar de lonen in de cao Verpleeg- en Verzorgingstehuizen en Thuiszorg (VVT). Het tarief voor zorg in natura is bijvoorbeeld bepaald op € 58,16 per week voor een schoon en leefbaar huis bij een meerpersoonshuishouden. De gemeente Rotterdam bepaalt vervolgens voor informele zorg het bedrag  op 62,4% van dat tarief. Dat is € 36,29 per week. Aan deze bedragen ligt op grond van de functiegroepen 10 en 15 uit de cao VVT een uurtarief van € 13,71 ten grondslag (jaar 2015)[1]. Dat wil echter niet zeggen dat de gemeente vindt  dat in het concrete geval iemand € 36,29 / € 13,71 =  2 uur en 39 minuten zorg  per week nodig heeft.

In een tussenuitspraak van 26 juli 2018 (ROT 17/5039) heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat  deze berekeningsmethode onvoldoende duidelijk maakt hoe in een concrete situatie met het toegekende pgb een als voldoende compensatie te kwalificeren resultaat kan worden bereikt. De rechter kan niet toetsen of het toegekende pgb een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van de  persoon in kwestie. In het bijzonder overwoog de rechtbank dat het ondersteuningsplan geen overzicht van activiteiten bevat, van wat deze activiteiten inhouden, in welke ruimtes deze activiteiten moeten worden uitgevoerd en wat de frequente daarvan is. Ook vindt de rechtbank dat de gemeente niet duidelijk de grootte van de woning in zijn afweging heeft betrokken.

De toekenning van een pgb is maatwerk waarbij een gemeente niet  van standaardbedragen uit mag gaan. Bij aanbieders van zorg in natura geldt dat zij op basis van een contract meerdere cliënten zullen gaan bedienen zodat per cliënt een gemiddeld bedrag berekend wordt. De vraag is of dat in de WMO al is toegestaan, maar bij een individueel pgb is een gemiddelde als grondslag sowieso al niet voldoende. De gemeente zal dan nauwkeuriger  naar de concrete situatie van de aanvrager moeten kijken om te bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Dat wil overigens niet per definitie zeggen dat het pgb hoger moet zijn dan het standaardbedrag dat de gemeente Rotterdam had toegekend.  De uitkomst van het onderzoek  kan ook zijn dat de gemeente vindt dat de betrokkene minder pgb nodig heeft.

 

[1] Voor de exacte wijze van de berekening van de WMO-tarieven door de gemeente Rotterdam verwijs ik naar het rapport van bureau HHM van 10 oktober 2014 en de notitie van de dienst MO van Rotterdam van 3 juli 2017 (via een WOB-verzoek bij de gemeente Rotterdam zouden deze stukken beschikbaar moeten zijn).

Eerste uitspraken van de Centrale Raad over de Wajong 2015

De Centrale Raad van Beroep heeft eerste uitspraken gedaan over de Wajong 2015 (ECLI:NL:CRVB:2018:1941ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en ECLI:NL:CRVB:2018:1953). Wat valt daarin op?

De Centrale Raad heeft in deze uitspraken eerste oordelen gegeven over de SMBA-methode en het Compendium Participatiewet  die  het UWV heeft ontwikkeld om de Wajong 2015 uit te voeren. De SMBA methode wijkt af van de CBBS-methode waarbij de geschiktheid van de daarin beschreven functies moet worden onderzocht en is door het UWV speciaal voor de Wajong 2015 ontwikkeld.

SMBA en Compendium Participatiewet

De Centrale Raad overweegt dat aan het UWV niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. De in het Compendium gegeven toelichting op de vier voorwaarden en het begrip duurzaamheid is aldus de Centrale Raad  een uitwerking van de toelichting op deze voorwaarden en het begrip duurzaamheid uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 (p. 6 e.v.).

Het Compendium  is naar het oordeel van de Centrale Raad in de externe functie ervan niet meer dan een hulpmiddel om een besluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken. Het is vervolgens aan de bestuursrechter de vraag te beantwoorden of het UWV met toepassing van de SMBA-methode, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming. De vraag is wat die volle toetsing vervolgens concreet inhoudt.

Toetsing onderzoek verzekeringsarts

Voor wat betreft de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek beslist  de Centrale Raad niet anders dan onder het CBBS gebeurt door te overwegen dat de verzekeringsarts dossierstudie verricht heeft , informatie van de behandelende sector bij de beoordeling heeft  betrokken, een anamnese afgenomen heeft en  betrokkene heeft onderzocht.  Op zich is dat ook niet vreemd, want artikel 3 en 4 van het Schattingsbesluit gelden ook voor de Wajong 2015.

Ook in Wajong 2015 zaken blijft het belangrijk om informatie van artsen, maar ook van (stage)begeleiders en hulpverleners te overleggen.

Geen functionele mogelijkhedenlijst (FML) in de Wajong 2015 nodig

De Centrale Raad vindt dat in de Wajong geen regel staat die het UWV verplicht om  de beperkingen met gebruikmaking van een FML in maat en getal weer te geven. De Centrale Raad vindt dat het feit dat bij de beoordeling van het arbeidsvermogen op grond van de Wajong 2015 geen gebruik wordt gemaakt van een FML, niet betekent dat de beoordeling niet toetsbaar is en dat de methode SMBA  voldoende waarborg biedt voor transparantie en verifieerbaarheid van de beoordeling.

Op zich is het oordeel dat in de Wajong 2015 geen FML nodig is begrijpelijk.  Een FML is immers een hulpmiddel voor selectie van functies door de grenzen aan te geven waarbinnen de arbeidsdeskundige  functies selecteert. In  de beoordeling op grond van de Wajong 2015 is het geschikt zijn van specifieke functies niet van belang.

De  International Classification of Functioning, Disability and Health’ (ICF) waarop de SMBA is gebaseerd kent echter ook gradaties van meer minder of minder beperkingen en het  begrip arbeidsvermogen kent ook grenswaarden. Een arbeidsdeskundige hoeft onder de Wajong 2015 weliswaar geen functies te selecteren, maar wel een taak. Het is daarom wel degelijk van belang om  beperkingen  inzichtelijk vast te leggen. Een soort FML op grond van de ICF-classificaties is daarom wenselijk. De methode SMBA  biedt op dit moment echter onvoldoende waarborg voor transparantie en verifieerbaarheid van de beoordeling.

Het alsnog kunnen ontwikkelen van arbeidsvermogen

De Centrale Raad bevestigt in de uitspraken de lijn in de rechtbankjurisprudentie dat de inschatting die de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich kunnen ontwikkelen voldoende  onderbouwd moet zijn. Het UWV  moet aldus de Centrale Raad onderzoeken op welke wijze een ingezette behandeling van invloed is en met welke concrete resultaten gericht op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van de betrokkene.  Het UWV mag dus niet zo maar aannemen dat de betrokkene nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Een soort FML zou overigens bij deze toetsing  ook van nut kunnen zijn.

Wajong 2015 en benoeming van een deskundige

Op 30 juni 2017 had de Centrale Raad (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) op grond van het Korošec- arrest overwogen dat ter waarborging van een gelijkwaardige procespositie  tussen UWV  en de burger het nodig kan zijn om een deskundige te benoemen. Die noodzaak kan onder de Wajong 2015 groter zijn dan onder andere arbeidsongeschiktheidswetten.

Het is voor een behandelend arts niet mogelijk om verzekeringsgeneeskundige uitspraken te doen over een patiënt waardoor medische informatie van de behandelende sector naar zijn aard sowieso maar beperkt geschikt is om twijfel te zaaien over het oordeel van de verzekeringsarts, maar medische informatie van een behandelaar kan binnen de beperkingen die in een FML kunnen worden ingevuld wel direct van betekenis zijn. Als een arts bijvoorbeeld schrijft dat de patiënt artrose in de schouder heeft, dan is dat wel een aanwijzing voor een beperking op het item reiken.

In de SMBA methode ontbreekt een beschrijving van afzonderlijke beperkingen in een FML. Voor artsen die geen verzekeringsarts zijn is het veel moeilijker om uitspraken te doen met betrekking tot het arbeidsvermogen van een patiënt en de mogelijkheid om dat te kunnen ontwikkelen. Medische informatie uit de behandelende sector is onder de Wajong 2015 minder naar zijn aard geschikt om bijvoorbeeld in twijfel te trekken dat iemand een uur aaneengesloten kan werken en dat geldt nog meer voor het oordeel van de arbeidsdeskundige over het hebben van basale werknemersvaardigheden of het geschikt zijn van een taak. Iets soortgelijks valt te zeggen over niet medische informatie van bijvoorbeeld jeugdhulp en veilig thuis. Zoals een behandelend arts geen verzekeringsarts is, is een medewerker van jeugdzorg geen arbeidsdeskundige. De Centrale Raad overweegt  dat niet gezegd kan worden dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling van het UWV, maar dat is dus de vraag.

Leidt toepassing van de SMBA methode tot voldoende inzichtelijke besluiten en goed gemotiveerde besluiten?

In de uitspraken tot nu toe heeft de Centrale Raad nog niet concreet iets gezegd over de invulling van begrippen die in de Wajong 2015 van belang zijn zoals basale werknemersvaardigheden en het een uur aaneengesloten kunnen werken en het geschikt zijn voor geselecteerde taken.  Omdat de Centrale Raad het Compendium Participatiewet als een hulpmiddel ziet, zal dat erg afhangen van de casus waarin deze begrippen worden toegepast en wat een partij hierover in hoger beroep aanvoert.  In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en in de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 staat echter niet zo heel veel over de concrete invulling van deze begrippen.  De vrijheid die het UWV daardoor heeft is daardoor behoorlijk groot. Dat het UWV  niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen, ontslaat het UWV niet van de verplichting om de methode te baseren op objectieve criteria en de rechter moet daar dan ook kritisch naar kijken.

De beschrijving van de beperkingen en de analyse van het arbeidsvermogen door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn onder de Wajong 2015 vrij algemeen van aard. Zo specifiek  als in het CBBS hoeft het SMBA niet te worden,  maar de grenzen  mogen wel  concreter en objectiever zijn dan nu het geval is.  Het oordeel of iemand wel of geen arbeidsvermogen heeft (of dat kan ontwikkelen) maakt voor de betrokkene immers nogal uit en anders blijft de volle toetsing van besluiten door de rechter in de praktijk in de lucht hangen.

Wajong 2015: Arbeidsvermogen, wat nu?

Nadat in 2015 de Participatiewet is ingevoerd heeft het UWV de herbeoordeling van de mensen die voor 2015 al Wajong ontvingen eind 2017 afgerond. Eind vorig jaar heeft de Tweede Kamer de motie Van Dijk (Kamerstuk 34352, 70) verworpen waarna de verlaging van de Wajong per 1 januari 2018 is doorgegaan.

Resultaten:  120.000 van de 236.000 Wajongers  zijn geplaatst in groep arbeidsvermogen (waarvan ca. 72.000 oWajong, zie: 34352, 76, p. 18).

Dat houdt in dat ca. 116.000 Wajongers geen arbeidsvermogen hebben. Dat aantal is hoger dan verwacht. De regering ging in 2014 van circa 82.000 uit (33161, nr E , P. 44). Bij de eerste voorlopige indeling in 2015 op basis van de dossiers hadden overigens 155.000 Wajongers arbeidsvermogen en 67.000 geen  (33161, nr. 197).

Circa 1 % heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve indeling.

De oWajongers met arbeidsvermogen zijn overgedragen aan het UWV Werkbedrijf. In 2017 zijn met 24.000 oWajongers die arbeidsvermogen hebben, maar geen baan hebben of een re-integratietraject volgen startgesprekken gevoerd om een klantprofiel te maken voor de banenafspraak en om de re-integratiemogelijkheden in kaart te brengen. Oude Wajongers hebben recht op ondersteuning door het UWV, maar kunnen er ook vanaf zien (34352,nr. 76, p. 17-18).

Uit de januarinota 2018 van het UWV blijkt dat de instroom in de Wajong in 2015 2.300 bedroeg. In 2017 en 2018 verwacht het UWV een instroom van 2.900 per jaar. Dat is exclusief heropeningen van uitkeringen van voor 2015.

Het toekenningspercentage gedaald van 60% naar ca 25% van de aanvragen (zie ook rapport arbeidsvermogen Wajong, UWV 2016, 34352,nr. 57). De Instroom is vanaf 2015 wel gelijk aan de toekenning van inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010. Daarvoor gold reeds duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn als eis. Die toetsing leek al op de Wajong 2015 (maar wel zonder de beoordeling op arbeidsvermogen ).

Indicatie banenafspraak
Een Wajonger met arbeidsvermogen zal met de herbeoordeling doorgaans ook een indicatie banenafspraak hebben gekregen. Deze indicatie is een verklaring dat iemand wel kan werken, maar wegens ziekte of gebrek niet in staat is om zelfstandig het minimumloon te verdienen.

Via de wet banenafspraak wil de regering proberen is de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking te verhogen.

Naast Wajongers met arbeidsvermogen vallen hier onder:
⁃ Afgewezen Wajongers 2015 die echter niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen;
⁃ Wsw indicatie (peildatum 1-1-2013);
⁃ mensen met voorheen een Wiw/ID-baan  (peildatum 1-1-2013) .

Het doel van de wet banenafspraak is om 125.000 extra banen in 2025, maar het aantal Wajongers met arbeidsvermogen is al bijna zo groot.  Daarom is niet  voor iedereen een baan beschikbaar.

Als de werkgevers de afspraak niet nakomen  zal er een extra heffing worden opgelegd. Uit een eerste tussenstand bleek in 2017 dat de overheidswerkgevers nog achterop liggen, maar dat overige werkgevers het tot nu toe voldoende doen (33981, J).

De indicatie is bedoeld om te meten of de afspraak gehaald wordt en geen voorziening  waarmee  mensen  direct een baan wordt aangeboden.  Dit is anders met de indicatie beschut werk.

Beschut werk en arbeidsvermogen
Sinds 1 januari 2015 kunnen geen Wsw-indicaties worden aangevraagd en krijgen mensen die op de wachtlijst stonden geen baan meer aangeboden. Mensen die met een geldige Wsw-indicatie aan het werk waren behielden deze indicatie voor de duur van deze indicatie.

Omdat gemeenten vanaf 2015 nauwelijks beschutte werkplekken creëerden,  Kunnen per 1 januari 2017 burgers bij het UWV een beoordeling voor beschut werk aanvragen. Bij een positief besluit moet de gemeente een werkplek aanbieden tot een maximaal door de minister vastgesteld aantal plaatsen per jaar (In Rotterdam zijn dat in 2018 maximaal 172 plaatsen).  De meeste gemeenten hebben het sociale werkvoorziening aangewezen om het beschut werk uit te voeren, maar dat is niet verplicht. In Rotterdam is dat wel het geval.

Het beschut werk is overigens bedoeld voor mensen die in een reguliere werkplek niet kunnen werken en daarom aangewezen zijn op beschut werk. Grofweg is dat vergelijkbaar met hen die onder de Wsw ‘binnen’  moesten werken (34352, nr. 58, p.11 e.v.).  Voor de andere groep is de indicatie banenafspraak bedoeld. Mensen die met een Wsw-indicatie op de wachtlijst stonden (ca. 11.000 aldus de staatssecretaris ) maar geen contract meer krijgen aangeboden, kunnen een indicatie beschut werk aanvragen. De doelgroep hiervoor is echter beperkter dan de Wsw voor 2015 zodat het niet vanzelfsprekend is dat men voor beschut werk in aanmerking komt. Voor verdere info: www.beschutaandebak.nl

Het UWV vat arbeidsvermogen op als het kunnen verrichten van activiteiten waarvoor een werkgever wil betalen (Compendium Participatiewet, p. 24). Bij beschut werk lijkt daarvan nu juist geen sprake te zijn, omdat aangenomen wordt dat mensen die op beschut werk zijn aangewezen niet op een reguliere werkplek kunnen werken. Desondanks wordt in uitspraken een Wajong uitkering afgewezen of is de uitkering verlaagd, omdat via de participatievoorziening beschut werk een jongere geacht wordt over arbeidsvermogen te beschikken (ECLI:NL:RBOBR:2017:4778, ECLI:NL:CRVB:2017:2994).

Nieuwe doelgroep in de Participatiewet
Met de invoering van de Participatiewet krijgen de sociale diensten te maken met een nieuwe doelgroep. Dat zijn jongeren die voor 2015 Wajong zouden hebben gekregen, maar nu dus een beroep doen op bijstand. Re-integratie van deze groep is een flinke opgave. Tijdens rondetafelconferentie met staatssecretaris Klijnsma pleitten wethouders voor een hoger participatiebudget, omdat het  nu ontoereikend is om iedereen naar werk te begeleiden (34352, 58, p. 6-7).

Uit de monitor W&I van de gemeente Rotterdam (kenmerk: 18bb1939) blijkt dat de instroom van jongeren met een vermoedelijk verminderde loonwaarde – jongeren die voor 2015 mogelijk Wajong zouden hebben gekregen – is gedaald van 319 in 2016 naar 231 in 2017. Omdat de  instroom in de Wajong vanaf 2015 fors is gedaald, lijken deze aantallen niet heel erg hoog. De regering ging er in 2015 vanuit dat vanaf 2015 per jaar zo’n 10.000 mensen extra de bijstand instromen (33981, nr. 3, p.10). Dat roept de vraag op hoe groot de groep jongeren is die bijstand aanvraagt of daar geen recht op heeft. Sowieso is het interessant om te volgen in hoeverre de gemeente Rotterdam er in slaagt deze groep aan de slag te krijgen en te houden. Een probleem is vooral dat werkgevers  minder bereid zijn  om mensen met psychische beperkingen in dienst te nemen. Zeker bij kleine werkgevers is dat het geval (34352, nr. 76, p.9-10).

Nieuw kabinet: Loondispensatie in plaats van loonkostensubsidie
In de  brief van 14 december 2017 (34352, 77) heeft de nieuwe staatssecretaris Van Ark de contouren geschetst voor de loondispensatie en in de hoofdlijnennotitie van 27 maart 2018 is dit verder uitgewerkt (34352, 98). Het wetsvoorstel moet overigens nog worden ingediend en zal pas in de loop van 2019 in werking treden. Bestaande arbeidsrelaties met loonkostensubsidie zullen worden gerespecteerd.

Kort gezegd is het de bedoeling dat iemand minder gaat verdienen dan het minimumloon en een aanvulling krijgt tot het netto minimumloon. De regering kiest hiermee voor een systeem van loondispensatie dat in de Wajong voor 2015 ook al bestond. Er zijn echter wel verschillen, omdat in de Wajong gewerkt wordt met het bruto inkomen en de Wajong anders dan de Participatiewet geen rekening houdt met vermogen en het eventuele inkomen van een partner. Ook de kostendelersnorm komt in de Wajong niet voor. De regering kiest er vooralsnog niet voor om ook het inkomen aan te vullen van de niet bijstandsgerechtigde met verminderde loonwaarde. Dat kost geld dat men liever uitheeft aan extra beschut werk.

Conclusie
De komende jaren zal moeten blijken of het gaat lukken om een inclusieve arbeidsmarkt te realiseren waarbij mensen met een arbeidsbeperking daadwerkelijk mee kunnen of dat het bij vrome wensen blijft en veel jongeren met een arbeidsvermogen zonder Wajong uiteindelijk in het ijzeren bestand van de sociale dienst belanden.  In dat geval is het overigens de vraag of een jongere op grond van Art 1::1 lid 3 Wajong eerst  10 jaar moet  wachten of dat al eerder alsnog recht op Wajong kan ontstaan.

Aan participatiewet lag de verwachting ten grondslag dat werkgevers mensen met een arbeidsbeperking in dienst gaan nemen. In dat kader is de Wsw gestopt en zijn ook de zittende Wajongers herbeoordeeld. Wsw-ers zijn weliswaar niet herbeoordeeld, maar SW-bedrijven verkeren door bezuinigingen wel in financieel zwaar weer (zie de uitzending van Zembla van 4 april 2018). Mensen zijn wat dat betreft met voldongen feiten geconfronteerd op basis van verwachtingen waarvan onzeker is of deze ook realistisch zullen zijn.

Recent heeft de Centrale Raad van Beroep een eerste uitspraak gedaan de nieuwe Wajong en de werkwijze van het UWV zoals vastgelegd in het compendium Participatiewet. Het gaat hierin vooral over de beoordeling van de mogelijkheid om arbeidsvermogen te kunnen ontwikkelen (ECLI:NL:CRVB:2018:1018). Hierop zal ik in een later stuk terugkomen.

Kunnen ouders een Jeugdwet-pgb ontvangen voor hun kind?

Gemeenten in Zuid Holland Zuid beantwoordden deze vraag met “nee” en weigerden daarom automatisch een pgb-aanvraag op grond van de Jeugdwet voor zorg door een ouder. Het ingenomen standpunt luidt, dat zorg voor een kind tot de gebruikelijke zorg behoort die een ouder moet leveren. In de uitspraak van 1 februari 2018 oordeelt de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2018:646) dat dit standpunt te kort door de bocht is en overweegt dat een pgb weliswaar niet bedoeld is als inkomensondersteuning aan de ouder(s), maar dat het verlenen van een pgb op grond van de Jeugdwet voor zorg door een ouder onder omstandigheden toch in het belang van het kind kan zijn. Dat houdt in dat een gemeente niet alleen zorgvuldig naar de zorgbehoefte van het kind moet kijken, maar ook naar de financiële situatie van het gezin waarin het kind opgroeit.

De gemeente in kwestie ging dus een stap te ver. Een pgb voor de verzorging van het kind door de ouder(s) kan niet bij voorbaat geweigerd worden. Het is wel de vraag of de rechtbank met deze uitspraak niet te veel de nadruk legt op de financiële situatie van de ouder(s) en te weinig kijkt naar de zorgbehoefte van de jeugdige. Dat laatste staat immers in de Jeugdwet centraal. Valt de financiële situatie van het gezin wel onder de behoefte en de persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders zoals genoemd in artikel  2.3 lid 4 van de Jeugdwet?

Een andere vraag is op grond van welke criteria de gemeente de financiële situatie moet  beoordelen en had de gemeente in deze zaak hiervoor ook voldoende objectieve criteria ontwikkeld? Daarbij zal het college toch eerst door zorgvuldig onderzoek concreet zicht moeten hebben op de aard en omvang van de hulp die een kind nodig heeft, voordat het ook een oordeel kan geven over de financiële noodzaak om een pgb te verstrekken. In deze zaak had de rechtbank wel overwogen dat het onderzoek door de gemeente onvoldoende zorgvuldig was, maar verbond daar in dat opzicht geen consequenties aan.

Kan een ouder mantelzorger voor zijn minderjarig kind zijn?

De rechtbank overweegt in deze uitspraak ook dat wanneer de gemeente geen pgb verstrekt, er geen sprake is van ‘gedwongen mantelzorg’ door de ouder, omdat een ouder geen mantelzorger kan zijn gelet op artikel 1:247 BW. In dit artikel staat dat ouders verantwoordelijk zijn voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van hun kind. De vraag is wat de rechtbank hiermee precies bedoeld heeft.

Anders dan in de WMO wordt het begrip mantelzorg in de Jeugdwet niet expliciet omschreven. Het onderscheid tussen gebruikelijke hulp en mantelzorg (door een ouder) lijkt in de Jeugdwet niet zo scherp te zijn. In het Memorie van Toelichting op de Jeugdwet wordt artikel  1:247 BW bezien in het licht van de eigen kracht van ouders, maar daar staat niet dat mantelzorg door ouders voor hun minderjarig kind per definitie onmogelijk is.  De vraag is of de rechtbank met deze overweging extra heeft willen onderbouwen dat in de Jeugdwet in beginsel geen pgb voor zorg door ouders kan worden verstrekt. Of heeft de rechtbank bedoeld dat er onder de Jeugdwet óf sprake is van (gebruikelijke) hulp die ouders op grond van artikel 1:247 BW verplicht zijn aan hun kind te verlenen óf dat een pgb aan de orde is als de zorgbehoefte van het kind de gebruikelijke hulp te boven gaat.

Conclusie
Op grond van de Jeugdwet is een pgb voor zorg door de ouder soms wel mogelijk. Het college moet bij het nemen van een besluit hierover daarom ook gericht onderzoek doen naar de financiële situatie van het gezin.

Hoewel de rechtbank het besluit om een pgb te weigeren onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd vond, laat  het de rechtsgevolgen van dat besluit toch – en mogelijk ten onrechte – in stand. Het was sowieso beter geweest als  de rechtbank in een tussenuitspraak de gemeente had opgedragen om  aanvullend onderzoek te doen naar situatie van het gezin. In een vergelijkbare zaak in Zuid Holland Zuid had de rechtbank dat overigens wel gedaan (zie: ECLI:NL:RBROT:2018:689) .

Samenwerking tussen advocaat en hulpverlening is belangrijk!

Samenwerking tussen advocaat en hulpverleningsinstanties is van groot belang en kan een zaak soms de juiste kant op doen slaan. Een cliënt kan bij een laag inkomen gesubsidieerde rechtsbijstand krijgen, waardoor een advocaat ingezet kan worden. De subsidie heeft echter alleen betrekking op juridische werkzaamheden, maar niet op overige werkzaamheden zoals het indienen van een aanvraag voor een uitkering of het bijwonen van een gesprek met de gemeente. Die “overige werkzaamheden” zijn soms echter net zo belangrijk. Uit de volgende zaak blijkt dat samenwerking tussen advocaat en hulpverleners  helpt  om een zaak tot een goed eind te brengen.

In september 2017 vroeg een mevrouw bij Centraal Onthaal opvang aan voor haarzelf en haar minderjarige  kind. De gemeente Rotterdam wijst haar verzoek af, omdat haar familie elders woont en ze met  economische motieven naar Nederland zou zijn gekomen.  De gemeente adviseert bijzondere bijstand aan te vragen voor de terugreis naar haar plaats van herkomst!  Het wijkteam dat deze mevrouw bijstond lukte het niet om alsnog opvang voor haar te regelen, zodat voor moeder en kind  een zwervend bestaan dreigde. Daardoor was een juridische procedure noodzakelijk en is een advocaat van ons kantoor ingeschakeld.

Namens de moeder maakt de advocaat bezwaar tegen de afwijzingsbeslissing en wordt ook een voorlopige voorziening aangevraagd bij de bestuursrechter.  De rechter bepaalt dat sprake is van een noodsituatie waarin de gemeente direct  tijdelijke opvang moet verlenen en ook aanvullend onderzoek moet doen (zaak: ROT 17/6629 WMO15).  De acute nood was daarmee gelenigd, maar de kous was nog niet af. Op grond van het aanvullend onderzoek dat de gemeente moest verrichten kon het verzoek om opvang immers alsnog worden afgewezen.

Het aanvullend onderzoek bestond onder andere uit een tweede huisbezoek door de gemeente. Na dit huisbezoek driegde opnieuw een afwijzing, maar door de inzet van het wijkteam en de gesprekken die met de gemeente zijn gevoerd, zijn moeder en kind alsnog toegelaten tot de opvang. Het bezwaar is daardoor direct gegrond verklaard zodat een hoorzitting niet meer nodig was.

In een zaak als deze waarbij een positieve uitkomst voor de klant niet bij voorbaat vaststaat, is een goede samenwerking tussen advocaat en hulpverlening,  waarbij ieder zich vanuit z’n specialisme inzet belangrijk. Het heeft in deze zaak zonder meer bijgedragen aan een goede afloop.

Ons kantoor acht een goede samenwerking met begeleiders en hulpverleners van klanten van groot belang. Hierdoor kunnen in een vroeg stadium procedures nog worden voorkomen. Begeleiders kunnen dan ook altijd telefonisch of per e-mail kort vragen stellen aan een advocaat of met de klant op vrijdagmiddag het spreekuur te bezoeken. Samen zoeken we dan naar een oplossing!

Rutte III en het sociaal domein

Na een lange formatie is er weer een missionair kabinet. Met betrekking tot het sociaal domein stelt het regeerakkoord niet zulke ingrijpende wijzigingen voor zoals de WMO 2015 en de Participatiewet. Het nieuwe kabinet borduurt voort op de wijzigingen die het vorige kabinet heeft doorgevoerd. Op een aantal punten voegt men er nog wel wat aan toe. Hieronder een overzicht.

Participatiewet
Asielgerechtigden krijgen in de eerste 2 jaar geen bijstand in de vorm van een uitkering, maar zorg in natura van de gemeente met aanvullend leefgeld. Het lijkt niet de bedoeling te zijn dat asielzoekers volledig uitgesloten worden van bijstand, maar als het leefgeld ontoereikend is kunnen er wel problemen ontstaan. Interessant zal dan ook zijn hoe gemeenten de bijstand in natura gaan afstemmen op de behoeften van de vreemdeling.

Het kabinet wil in gesprek met gemeenten over de uitvoering van de tegenprestatie en de taaleis. Wat daarmee exact bedoeld wordt is niet duidelijk, maar waarschijnlijk wil het nieuwe kabinet dat gemeenten hier actiever mee bezig gaan zijn.

Ook wil het kabinet dat uitvoerders in het kader van fraudebestrijding informatie delen, koppelen en analyseren ten einde ook uitkeringsgerechtigden te helpen de regels na te leven en fouten te voorkomen. De vraag is of daarbij de reikwijdte van de eenmalige gegevensuitvraag verruimd wordt zodat minder snel sprake is van schending van de inlichtingenplicht door een uitkeringsgerechtigde (met als gevolg terugvordering en boete). Interessant is ook wat het kabinet met ‘analyseren van data’ bedoelt. Gaan big data hun intrede doen in de handhaving in de sociale zekerheid?

De IOW wordt met 4 jaar verlengd en dus niet ingetrokken. Wel zal de leeftijdsgrens vanaf wanneer een beroep op de IOW kan worden gedaan (nu 60 jaar) vanaf 2020 meestijgen met de AOW-leeftijd.

Wajong/ arbeidsmarkt
De verlaging van de Wajong uitkering per 1 januari 2018 wordt niet teruggedraaid. De Wajong blijft beperkt tot jongeren die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Er komt wel extra budget voor beschut werk zodat voor 20.000 extra mensen de mogelijkheid van beschut werk zal ontstaan.
Het instrument loonkostensubsidie (zie art. 10d van de Participatiewet) wordt vervangen door de mogelijkheid van loondispensatie. De werkgever kan dan onder het minimumloon betalen waarna de gemeente het inkomen aanvult.

WIA
Het vorige kabinet had de WIA ongemoeid gelaten. Het nieuwe kabinet wil dat mensen minder snel volledig arbeidsongeschikt worden. Hierbij lijkt het vooral te gaan om mensen die nu 80-100% arbeidsongeschikt worden, omdat er minder dan 3 functies (met 3×3 = 9 arbeidsplaatsen) beschikbaar zijn.
Het kabinet wil het schattingsbesluit aanpassen waardoor met behulp van meer dan 3 functies (met in totaal wel ten minste 9 arbeidsplaatsen) toch een schatting uitgevoerd kan worden. Dan zou bijvoorbeeld op basis van 4 functies met 2 arbeidsplaatsen en 1 functie met 1 arbeidsplaats (in totaal 9) toch een schatting door de arbeidsdeskundige kunnen worden verricht.
Daarnaast wil het kabinet voor de groep 80-100% na de afloop van de loongerelateerde uitkering ook de inkomenseis invoeren. Dat houdt in dat wanneer mensen niet of weinig werken zij dan een lagere vervolguitkering zullen krijgen. De groep 80-100% merkt nu niets van de overgang naar een vervolguitkering. Die uitkering zal echter 70% van het minimumloon gaan bedragen in plaats van 70% van het dagloon.
Dat houdt in dat het onderscheid tussen 35-80% en 80-100% dat nu in de WIA bestaat gaat veranderen in 35-100% en 100%. De vraag is of alleen de laatste groep dan nog als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt een IVA uitkering kan krijgen.

Rechtsbijstand
In het nieuwe kabinet zit een minister voor rechtsbescherming. In het regeerakkoord wordt echter de door het vorige kabinet aangekondigde bezuiniging van 85 miljoen euro op de gefinancierde rechtsbijstand niet herroepen. De vraag is wat de nieuwe minister hiermee gaat doen nu recent de commissie Van der Meer heeft vastgesteld dat het verschil tussen de vergoeding die een advocaat ontvangt en de tijd die een advocaat aan een zaak besteedt zo groot is dat met de huidige vergoedingen een inkomen waarvan ook het kabinet zegt dat het redelijk is niet haalbaar is (zie hier voor een rapportage). Ondanks een speciale minister is de toegang tot het recht ook onder het nieuwe kabinet niet gegarandeerd.

Commentaar
Het nieuwe kabinet draait geen maatregelen van het vorige kabinet terug. Een aanpassing van bijvoorbeeld de kostendelersnorm waardoor rekening kan worden gehouden met zorgbehoefte blijft achterwege.

Werken moet lonen. Dat adagium wordt ook door het nieuwe kabinet aangehangen. Het betekent dat ook onder het nieuwe kabinet bijstandsgerechtigden er nauwelijks op vooruit zullen gaan (zie persbericht Nibud d.d. 27-10-2017). Dat was onder het vorige kabinet weinig anders. Voor bijstandsgerechtigden verandert er wat dat betreft dus weinig. De verhoging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget zal wel gunstig uitpakken voor huishoudens met kinderen.
Het kabinet investeert, maar weinig in het sociale domein. Naast extra uitgaven verlaagt het kabinet ook de belastingen. Het risico is wel dat als er onverwacht een recessie komt er waarschijnlijk bezuinigd zal moeten worden om aan de Europese begrotingsnormen te blijven voldoen. De vraag is of de sociale zekerheid in dat geval weer een nieuwe ronde van versobering te wachten staat.

Wajong: Wie thuis afwast, heeft arbeidsvermogen? (deel II)

De Wajong 2015 is al weer ruim twee jaar van kracht en het UWV heeft de herbeoordeling van het zittend bestand op het al dan niet hebben van arbeidsvermogen bijna afgerond.

Afronding herbeoordeling zittend bestand
Het UWV gaat mensen van wie per 1 januari 2018 de uitkering wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon voor die datum hierover nogmaals per brief informeren. Wie eerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit om de uitkering te verlagen, kan waarschijnlijk tegen deze brief niet alsnog bezwaar maken. De brief is namelijk een herhaling van een al eerder genomen besluit. Omdat de verlaging per 1 januari 2018 ingaat, is het wel mogelijk om bij het UWV een herzieningsverzoek te doen. Zo’n verzoek moet wel ondersteund worden met informatie van een arts en van bijvoorbeeld een begeleider die nog niet eerder door het UWV is beoordeeld.

Het kostte het UWV overigens wel meer tijd dan verwacht om de herbeoordelingen uit te voeren. Daarom is de groep van Wajongers die geboren is voor 1 januari 1968 op basis van een beperkter aantal criteria voorlopig ingedeeld. In de praktijk houdt dat in dat van deze groep alleen zij die arbeid verrichten, inkomen als zelfstandige hebben of een re-integratietraject een voorlopige indeling ‘arbeidsvermogen’ hebben ontvangen. Hoewel dit een voorlopige indeling betrof, verandert deze doorgaans niet als de Wajonger niet protesteert. Dat houdt in de praktijk in dat wie een voorlopige indeling ‘geen arbeidsvermogen’ gekregen heeft in dat geval niet te maken krijgt met een verlaging van de uitkering in 2018. Het UWV heeft ook berekend dat door deze verandering in de werkwijze het aantal Wajongers dat geen arbeidsvermogen heeft hoger uit zal vallen dan aanvankelijk was gedacht (Kamerstuk 34352, nr. 50) De staatssecretaris stelt  dat deze wijziging in de herindelingscriteria geen ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd oplevert (26448,nr. 583 en 585), omdat onder andere de kans op arbeidsvermogen hoe dan ook kleiner wordt als mensen ouder worden. Op welke objectieve criteria de staatssecretaris dat oordeel heeft gebaseerd, is niet duidelijk. De rechter zal hierover moeten oordelen als iemand die na 1967 is geboren een beroep op ongerechtvaardigde discriminatie doet.

Eerste jurisprudentie over de Wajong 2015
Intussen zijn de eerste uitspraken van rechtbanken over de Wajong 2015 verschenen. De uitspraken laten zien dat het niet eenvoudig is om een zaak onder de Wajong 2015 te winnen, maar rechtbanken vinden het bijvoorbeeld wel belangrijk dat verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de stappen goed doorlopen. Dat geldt vooral bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen. (Dat is voor de herbeoordeling van het zittend bestand overigens niet van belang).

ECLI:NL:RBDHA:2017:5976
De beoordeling van de duurzaamheid van de afwezigheid van arbeidsvermogen is in beginsel een zaak voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige samen (p. 72 Compendium). Zij moeten bijvoorbeeld beoordelen met welke begeleiding kan worden bewerkstelligd dat iemand beschikt over bijvoorbeeld basale werknemersvaardigheden.

Het UWV moet ook weergeven op welke aspecten wel en op welke geen ontwikkeling valt te verwachten.

ECLI:NL:RBGEL:2017:3651
Het UWV heeft geen aandacht gegeven aan structurele gedragsproblematiek en ook is onduidelijk of de indicatiestelling van het CIZ bij de voorbereiding van het besluit is betrokken.  Het UWV moet dat alsnog doen. (In de einduitspraak ECLI:NL:RBGEL:2017:4843 heeft de rechtbank alsnog een Wajong-uitkering toegekend.

ECLI:NL:RBNHO:2017:2870
Dat bij een licht verstandelijke beperking in het algemeen, ook na het 18e jaar, groei is te verwachten, is een te algemene overweging. In de afwegingen is ook niet duidelijk betrokken wat het huidige niveau/achterstand is en wat de te verwachten mogelijkheden tot verbetering van de arbeidsmogelijkheden in de  toekomst zijn (met het oog op een herbeoordeling in de toekomst).

ECLI:NL:RBNNE:2017:569
De verzekeringsarts  moet de belastbaarheid van de jongere volledig in kaart brengen. De overweging dat PTSS behandelbaar is niet genoeg om te concluderen dat er geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Overigens kan de kans op succes in een procedure worden vergroot  als een medisch deskundige rapporteert. Let echter op dat het feit dat iemand een medisch deskundige niet zelf kan betalen voor de rechtbank nog geen reden is om zelf een deskundige te benoemen (zie: ECLI:NLRBNNE:2017:3309).  Het is daarom verstandig om in bezwaar en beroep  in ieder geval informatie van behandelend artsen en begeleiders te overleggen of anders uit te leggen dat concrete pogingen zijn ondernomen  om meer informatie te verkrijgen.

De methode SMBA en het Compendium Participatiewet
De rechtbanken accepteren vooralsnog de SMBA-methode die het UWV heeft ontwikkeld om de Wajong 2015 toe te passen en ook de inhoud van het Compendium Participatiewet.

ECLI:NL:RBOBR:2017:1707
Het gebruik van het methode ondersteunend instrument (MOI)  ter motivering van een besluit is niet verplicht. Omdat uiteindelijk de resultaten in de rapportages van het UWV worden opgenomen is de motivering van het besluit inzichtelijk. Het Compendium is slechts een werkinstructie en geen dwingend voorgeschreven beleid.

Het gevolg hiervan is dat bijvoorbeeld snel wordt aangenomen dat iemand over basale werknemersvaardigheden beschikt doordat hij bijvoorbeeld een VMBO opleiding heeft afgerond (zie: ECLI:NL:RBOBR:2017:1707) of enkele maanden stage gelopen heeft (zie: ECLI:NL:RBOBR:2017:1708). Rechtbanken nemen aan dat iemand dan opdrachten begrijpt, onthoudt en kan uitvoeren.

Ook wordt vrij snel aangenomen dat iemand een uur zonder noemenswaardige onderbreking kan werken. Zo overwoog bijvoorbeeld de rechtbank Oost Brabant dat uit de dagbesteding niet  blijkt dat sprake is van een substantiële onderbreking van het productieproces die vaker dan een keer per uur voorkomt en dat eiseres zich tijdens de gesprek met de verzekeringsarts goed kon concentreren en de aandacht kon vasthouden (zie: ECLI:NLRBOBR:2017:4778).

Is gedrag geen basale werknemersvaardigheid?
Op de inhoud van het Compendium is echter wel wat af te dingen. Zo rekent het UWV bijvoorbeeld  gedrag niet tot een basale werknemersvaardigheid (pag. 46). Het UWV meent dat het niet mogelijk is om hierover algemene uitspraken te doen, omdat in elke arbeidsorganisatie gelden er weer andere expliciete en impliciete afspraken gelden. Het gevolg daarvan is dat het aspect gedrag in de beoordeling nauwelijks aan bod komt, terwijl er Wajongers zijn die in de praktijk moeite hebben om te functioneren  op een stage- of werkplek.  Aan de hand van bijvoorbeeld de drempelfuncties uit het CBBS en de taken die voorkomen in de stages in het praktijkonderwijs  zou het mogelijk moeten zijn om een objectieve ondergrens vast te stellen van gedragseisen  waaraan men in ieder geval moet voldoen om te kunnen spreken van arbeidsvermogen.

Voor wat betreft het een uur aaneengesloten kunnen werken neemt het UWV in de praktijk aan dat  alleen ernstige cognitieve stoornissen een reden geven om te oordelen dat iemand zich niet een uur aaneengesloten zou kunnen concentreren (pag. 55-59).  Waarom zou echter iemand als gevolg van bijvoorbeeld visusklachten bij voorbaat in staat zijn om zich een uur aaneengesloten te kunnen concentreren? Het UWV laat dit nu in de praktijk ten onrechte buiten beschouwing.

Conclusie
Uiteindelijk zal de Centrale Raad van Beroep moeten oordelen of het UWV op een juiste wijze de Wajong 2015 en de herbeoordeling uitvoert. De vraag is of de criteria die het UWV heeft ontwikkeld wel objectief en helder genoeg zijn.  Uiteindelijk  moet er wel rekening mee worden gehouden dat aan de Wajong 2015 en de Participatiewet de politieke keuze ten grondslag ligt om de gemeenten leidend te laten zijn in de re-integratie van mensen met beperkte arbeidsmogelijkheden en dat daardoor de Wajong alleen blijft bestaan voor mensen die geen arbeidsvermogen hebben (29544, nr. 539, p. 11-12). Zij die wel arbeidsvermogen hebben zijn dan aangewezen op bijvoorbeeld beschut werk of re-integratie via een jobcoach of loonkostensubsidie.

In een later artikel zal ik hierop verder ingaan.  Als u vragen heeft over een besluit op uw aanvraag voor een Wajong-uitkering of over de herbeoordeling dan kunt u contact opnemen met Mark Hüsen (m.husen@advokatenkollektief.com). Klik hier om deel I van deze uiteenzetting te lezen.

 

De taal van het kind

Niet voor iedereen is het taalgebruik van een rechter goed te begrijpen. Dat is helemaal bij kinderen het geval. De rechtbanken in Utrecht en Rotterdam hebben recent interessante uitspraken gedaan. Niet zo zeer vanwege de juridische inhoud, maar wel vanwege de vorm en het taalgebruik.

De rechtbank is het kind tegemoet gekomen door de uitspraak in een kindvriendelijke taal te schrijven. In de kwestie bij de rechtbank Utrecht had het meisje de rechter de wens voorgelegd om in het vervolg bij haar vader in plaats van bij haar moeder te gaan wonen. Zoals gebruikelijk werd het meisje in de procedure gehoord, maar ze werd niet in het gelijk gesteld en bleef bij haar moeder wonen. De rechter vond het belangrijk dat het meisje de uitspraak goed zou begrijpen en zou weten waarom haar verzoek werd afgewezen. De rechter heeft de uitspraak daarom in een kindvriendelijke taal geschreven.

De rechter heeft bij het schrijven van zijn uitspraak aansluiting gezocht bij het Kinderrechtenverdrag. Zo volgt uit artikel 12 van dit verdrag dat er rekening gehouden moet worden met de mening van het kind, waarbij de leeftijd van het kind en de ontwikkeling een belangrijke rol spelen. Het kind heeft het recht om te weten wat er met zijn mening is gedaan. Dit is nog belangrijker in het geval het kind niet in het gelijk wordt gesteld door de rechter. 

Hopelijk heeft de rechtbank de trend gezet en kiest zij er in de toekomst vaker voor om de uitspraken op een kindvriendelijke wijze uit te leggen.

Mag de gemeente het pgb maximeren?

Sinds 2015 verstrekken gemeenten pgb’s om zorg in te kopen in het kader van de WMO en de Jeugdwet. Het gaat dan bijvoorbeeld om begeleiding in het kader van het persoonlijk en sociaal functioneren of dagbesteding. Veel gemeenten hebben er ook voor gekozen om pgb’s  aan een maximumbedrag per jaar te binden.

Zo had het Drechtstedenbestuur een pgb voor 6 uur per week professionele begeleiding gemaximaliseerd tor een bedrag van € 10.282.- per jaar. Dat leverde voor de betrokkene een probleem op, omdat de zorgverlener een  uurtarief van € 63,- in rekening bracht. De benodigde zorg kost dan  per jaar  in totaal € 19.656. Het toegekende pgb is dan ontoereikend om de benodigde zorg in te kunnen kopen.  In de praktijk komt het voor dat als het pgb op een te laag bedrag is vastgesteld mensen minder zorg gaan inkopen om geld te besparen. Dat is niet wenselijk, omdat het afbreuk doet aan de effectiviteit van de zorg.

In de bovenstaande zaak heeft de rechtbank Rotterdam in punt 10 van de uitspraak van 20 april 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2935) een middenweg bewandeld door enerzijds te overwegen dat het college een maximum mag stellen aan een pgb, maar dat uiteindelijk een pgb wel toereikend moet zijn om de benodigde zorg in te kunnen kopen.  Anders zouden cliënten gedwongen worden te kiezen voor zorg in natura (ZIN), terwijl zij via het pgb zelf de regie over hun leven willen blijven voeren (zie ook ECLI:NL:RBNHO:2017:293). De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar heeft in de uitspraak niet vastgesteld waar in deze zaak concreet de grens ligt.

Het Drechtstedenbestuur heeft in een nieuw besluit op bezwaar zich hier nog eens over moeten buigen en heeft uiteindelijk het tarief op € 63,-per uur bepaald. Het Drechtstedenbestuur heeft in het nieuwe besluit echter niet toegelicht waarom dit bedrag een acceptabel tarief is. In deze zaak is dit voor de betrokkene voldoende, maar bij het vaststellen van een maximum aan een pgb zal het bestuur rekening moeten houden met wat in de praktijk een redelijk en gebruikelijk tarief is. Het bestuur kan niet willekeurig een maximum bedrag vaststellen, maar zal zorgvuldig moeten onderzoeken wat een redelijk tarief is. Het bestuur kan zich daarbij niet alleen baseren op budgettaire kaders (zie ook ECLI:NL:CRVB:2016:1403).

Iemand die daartoe in staat is mag dus op grond van artikel 2.3.6 lid 1 WMO in beginsel zelf via een pgb zorg inkopen. Dat houdt dus in dat gemeenten burgers niet kunnen verplichten om ZIN af te nemen. Ook niet als de kosten voor een pgb hoger liggen dan de kosten die de gemeenten voor de zorg in natura hebben bedongen. Het zal ook van de omstandigheden afhangen of de gemeente bijvoorbeeld het pgb kan maximeren tot het tarief  van een goedkopere vergelijkbare  zorgaanbieder.

Rotterdam
In Rotterdam staat bijvoorbeeld in artikel 25 van de verordening MO dat het pgb dat bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning  90% bedraagt de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura. In bijzondere gevallen waarin sprake is van complexe zorg kan weliswaar een hoger pgb worden vastgesteld, maat het is de vraag of het pgb op basis van deze regels in alle gevallen voor de betrokkene toereikend zal zijn om de benodigde zorg in te kunnen kopen.

Het is overigens in de praktijk niet eenvoudig om te berekenen op hoeveel pgb de eiser in de Drechtstedenzaak in Rotterdam recht zou hebben gehad, omdat de Drechtsteden de zorg in uren indiceert en Rotterdam met resultaatsgebieden werkt. 6 uur professionele begeleiding is in Rotterdam vergelijkbaar met trede 4 (midden/intensief) van het resultaatsgebied persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van bijlage 1 van de regeling WMO 2015 zou dat een maximaal pgb opleveren  van € 190,34 per week. Dat komt uit op een bedrag van € 9.935,- per jaar. Dat zou dus ongeveer € 350,- lager zijn dan het maximale pgb dat in de Drechtsteden werd toegekend. Het pgb was voor de persoon in kwestie in de Drechtsteden niet voldoende om de benodigde zorg in te kunnen kopen, maar dat zou in Rotterdam dus waarschijnlijk ook het geval zijn geweest.

Wat te doen?
De gemeente mag een pgb maximeren, maar de WMO is maatwerk en dat geldt dus ook voor de vaststelling van het maximale pgb. Als u denkt dat het aan u toegekende pgb te laag is dan kunt u bezwaar maken tegen het besluit waarin het is toegekend. Als u dat niet heeft gedaan en u merkt dat het pgb sneller opraakt dan u had verwacht dan kunt u bij de gemeente ook een herzieningsverzoek doen om het pgb te verhogen. U loopt dan wel het risico dat uw juridische speelruimte beperkter is. Direct bezwaar maken heeft daarom de voorkeur.

Als u problemen heeft met de gemeente over de hoogte van het pgb  of hier vragen over heeft dan kunt u overleggen met Marieke Hartkoorn, Mark Hüsen  of Jacqueline Nieuwstraten.
Bijstand in bezwaar- en beroepsprocedures is uiteraard ook mogelijk.

Onderhoud aan huurwoning, vergoeding voor huurder?

Soms moet aan huurwoningen groot onderhoud gepleegd worden, bijvoorbeeld het vervangen van de kozijnen of het herstellen van de fundering. In Rotterdam is dat laatste een veel voorkomend probleem. Doorgaans is de huurder wettelijk verplicht aan de uitvoering van groot onderhoud mee te werken en het is vaak niet mogelijk in de woning te blijven tijdens de werkzaamheden.

Onze cliënten in de Provenierswijk huren een benedenwoning. De fundering van de woning moet hersteld worden en dit is ingrijpend: de hele vloer moet eruit en de werkzaamheden duren enkele maanden. Onze cliënten kunnen tijdens de werkzaamheden niet in de woning blijven wonen. Woningstichting Havensteder biedt daarom een wisselwoning aan en een vergoeding voor de kosten die de huurders moeten maken en het ongemak dat zij ervaren. Deze vergoeding was echter zeer gering.

Het ongenoegen bij de huurders was groot. Voor de aangeboden paar honderd euro konden onze cliënten de woning niet opnieuw inrichten, ze hadden immers nieuwe vloerbedekking, gordijnen, stoffering e.d. nodig. Havensteder was niet te bewegen tot betaling van een fatsoenlijk bedrag. De reactie van de huurders was duidelijk: die bleven zitten en zouden via de rechter een hogere vergoeding eisen.

Daarop spande Havensteder een kort geding aan. Daar schrokken de huurders niet van. Uiteindelijk, op het allerlaatste moment, bleek Havensteder bereid tot betaling van een fatsoenlijk bedrag van € 4.000. Daar waren de huurders tevreden mee en de rechtszaak werd afgeblazen.

Let op! Bij renovatie of ingrijpende verbouwing/verbetering van de woning, heeft de huurder recht op de wettelijke vergoeding, die rond de € 5.900 ligt.
Heb je hiermee te maken, of heb je hier vragen over, neem dan vrijblijvend contact met ons op, of bezoek ons gratis open spreekuur op vrijdagmiddagen van 13.00 tot 15.00 uur.