Huurcontract voor bepaalde tijd

Sinds een jaar mogen huisbazen die geen woningcorporatie zijn, een eerste huurcontract sluiten voor een korte tijd.

De korte tijd in het huurcontact mag maximaal twee jaar zijn, voor de huur van kamers geldt een maximale tijd van vijf jaar. In het huurcontract moet beschreven zijn hoe lang het contact duurt, voor zelfstandige woningen niet langer dan twee jaar.

De huisbaas kan het tijdelijke huurcontract niet tussentijds beëindigen. Het tijdelijk contract eindigt (van rechtswege) als de in het contract beschreven huurtermijn is geëindigd.

In de periode tussen drie maanden en een maand vóór het afgesproken einde van het huurcontract moet de huisbaas aan de huurder schriftelijk melden dat het huurcontract eindigt. Als de huisbaas dat niet doet, ontstaat er automatisch een huurcontract voor onbepaalde tijd, die alleen maar kan eindigen als de rechter dat heeft beslist.

Als de huisbaas na afloop van de afgesproken huurperiode een nieuw huurcontract aanbiedt, moet dat een huurcontract voor onbepaalde tijd zijn. Als de huisbaas geen nieuw huurcontract aanbiedt, maar de huur gewoon blijft doorlopen, dan ontstaat er ook een huurcontract voor onbepaalde tijd. Het huurcontract kan daarna alleen eindigen als de rechter dat heeft beslist.

Als het tijdelijke huurcontact voor korte tijd is verlopen terwijl de huurder in woning blijft wonen en huur blijft betalen, dan ontstaat er ook een huurcontract voor onbepaalde tijd. Het huurcontract kan dan ook alleen eindigen als de rechter dat heeft beslist.

Als de huurder het tijdelijke huurcontract tussentijds wil opzeggen, kan dat wel. Hij heeft dan alleen te maken met een opzegtermijn van minimaal een maand.

Geen griffierecht in procedures over gemeentelijke schuldhulpverlening

Wie toegelaten wil worden tot de WSNP moet eerst proberen via de gemeente een minnelijk schuldsaneringstraject te realiseren. In Rotterdam gaat dat via de Kredietbank Rotterdam.  Dit minnelijk traject is sinds 2012 geregeld in de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (WGS).  Als de gemeente een minnelijk traject weigert of tussentijds beëindigt dan kan hiertegen bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

Anders dan in WSNP zaken het geval is, heft de rechtbank dan wel griffierecht. De rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 24 mei 2017 bepaald dat voor dit verschil tussen de WGS en de WSNP geen objectieve rechtvaardiging bestaat en dat in procedures op grond van de WGS ook geen griffierecht geheven moet worden (ECLI:NL:RBROT:2017:3881).

Uiteindelijk zal de Raad van State in een procedure over de WGS in hoger beroep nog wel moeten beslissen of men deze uitspraak volgt, maar de overwegingen van de rechtbank lijken overtuigend genoeg.

Sinds 1 april 2017 is overigens op grond van artikel 5 WGS het breed moratorium in werking getreden waardoor de gemeente de rechtbank kan verzoeken om een afkoelingsperiode af te kondigen waarin elke bevoegdheid van de schuldeiser tot verhaal en executie voor een periode van maximaal zes maanden worden opgeschort.  Onduidelijk is of een weigering van de gemeente om zo’n verzoek aan de rechtbank te doen ook een besluit is waartegen de schuldenaar bezwaar kan maken.  Als dat wel het geval is, dan zal de uitspraak van de rechtbank Rotterdam ook moeten gelden voor het griffierecht procedures in dat soort zaken.

Eerste uitspraak CRvB over jeugdhulp o.g.v. Jeugdwet 2015

Tegelijkertijd met de nieuwe WMO trad in 2015 ook de nieuwe Jeugdwet in werking.  In mei 2016 had de Centrale Raad al eerste uitspraken gedaan over de WMO, zie hiervoor onze eerder nieuwsberichten. Kort samengevat had de Centrale Raad daarin geoordeeld dat de gemeente bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de WMO een zorgvuldige op de situatie gerichte afweging moet maken en niet zomaar met standaardoplossingen kan volstaan.

Een jaar later heeft de Centrale Raad een eerste uitspraak gedaan over een besluit op grond van de Jeugdwet. Het betrof hier een besluit van de gemeente Steenwijkerland waarin jeugdhulp werd  geweigerd, omdat de activiteiten waarvoor jeugdhulp was aangevraagd naar het oordeel van de gemeente niet waren  aan te merken als jeugdhulp en omdat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het gezin toereikend zouden zijn.

De teneur van deze uitspraak is vergelijkbaar met die van de WMO-uitspraken uit 2016: ook bij de beoordeling van een verzoek om jeugdhulp moet de gemeente een zorgvuldige afweging maken.  De Centrale Raad overwoog dat het bij de beoordeling van een verzoek om jeugdhulp belangrijk is dat de gemeente via deskundig advies een duidelijk beeld heeft van de problemen en stoornissen die een kind heeft en welke hulp naar aard en omvang nodig is. Dat had de gemeente Steenwijkerland naar het oordeel van de Centrale Raad onvoldoende gedaan.

De gemeente Steenwijkerland had het besluit overigens gebaseerd op het door het Centrum voor Jeugd en Gezin opgestelde gezinsplan. Hoewel je zou verwachten dat een rapport van die organisatie voldoende zou moeten zijn om een besluit op grond van de Jeugdwet te kunnen baseren was dat dus niet het geval. Als u in bezwaar wilt gaan tegen een besluit van de gemeente op grond van de Jeugdwet loont het dus de moeite om het daarbij behorende rapport kritisch door te lezen.  Het is bijvoorbeeld belangrijk dat daarin concreet duidelijk wordt gemaakt:

  • welke hulp en in welke omvang nodig is om een kind in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
  • in hoeverre ouders deze hulp zouden kunnen bieden;
  • in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders en het sociale netwerk toereikend zijn om in de hulpbehoefte van een kind te kunnen voorzien.

De Centrale Raad geeft hiermee een algemene richtlijn over hoe de gemeente een verzoek om jeugdhulp moet behandelen. Hiermee is niet inhoudelijk beslist in hoeverre een gemeente uit mag gaan van de eigen kracht van het gezin en op grond daarvan jeugdhulp kan weigeren. Duidelijk is wel dat de gemeente daarop alleen een beroep zal kunnen doen op basis van voldoende zorgvuldig onderzoek. Net als bij de WMO het geval is, zal de gemeente echter ook bij de toepassing van de Jeugdwet niet met standaardoplossingen kunnen volstaan.

Als u vragen heeft over een besluit van uw gemeente over jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (of over de WMO) dan kunt u contact opnemen met advocaten van de sectie Sociale Zekerheidsrecht van ons kantoor of op vrijdagmiddag ons wekelijks spreekuur bezoeken.

De “automatische” huwelijksgoederengemeenschap gaat op de schop!

Als u in Nederland trouwt zonder dat u huwelijkse voorwaarden maakt, trouwt u in algehele gemeenschap van goederen. Dat houdt in dat al het privé vermogen dat u voor uw huwelijk had en al het privé vermogen van uw partner van voor het huwelijk, gemeenschappelijk wordt. De algehele gemeenschap van goederen gaat op de schop.

Gemeenschap van goederen

In de Eerste Kamer is een wet aangenomen waarin het systeem van de algehele gemeenschap van goederen wordt aangepast. Hoe komt het nieuwe systeem er dan uit te zien? In principe blijft alles wat u voor het huwelijk had van uzelf. Dit geldt voor zowel de goederen als voor de schulden. Had u voor het huwelijk in privé een woning op uw naam staan, dan valt de woning niet in de gemeenschap. Dit betekent dat na scheiding de woning aan u toekomt. Er geldt wel een belangrijke uitzondering: de goederen die u voor het huwelijk samen hebt gekocht, blijven na de huwelijkssluiting ook van u samen. Hetzelfde geldt voor schulden (bijv. een hypotheek) die u samen bent aangegaan. Alle goederen die u na huwelijkssluiting koopt en alle schulden na huwelijkssluiting, worden wel automatisch van u samen. Dat verandert dus niet.

Schenkingen

Een andere grote verandering is dat een eventuele erfenis of schenking die u van iemand ontvangt, niet meer automatisch van u samen wordt als u getrouwd bent. Willen uw ouders dat het geschonken bedrag van u privé blijft, dan moeten de ouders in het huidige systeem een zogeheten “uitsluitingsclausule” in een testament laten vastleggen. Met die uitsluitingsclausule wordt voorkomen dat het geldbedrag van u en uw partner gezamenlijk wordt.

In het nieuwe systeem wordt dit omgedraaid. De schenking die u ontvangt blijft van u privé. Het maakt daarbij niet uit of u bent getrouwd of niet. Stel dat de schenker graag wil dat u en uw partner gezamenlijk een geldbedrag krijgen, dan moet de schenker dat uitdrukkelijk aangeven. De uitsluitingsclausule, wordt dus een insluitingsclausule.

Wat zijn voor u de gevolgen?

De exacte ingangsdatum van het nieuwe systeem is nog niet bekend. Wel staat vast dat voor alle bestaande huwelijken, waarbij geen huwelijkse voorwaarden zijn afgesloten, het oude systeem van de “algehele wettelijke gemeenschap van goederen” van kracht blijft. Treedt u binnenkort in het huwelijksbootje, sta er dan in elk geval bij stil wat de wetswijziging voor u kan betekenen. Heeft u vragen over de aanstaande wetswijziging dan kunt u vrijblijvend contact met ons kantoor opnemen.

Het recht op vrije advocaatkeuze

Het Advokatenkollektief Rotterdam treedt veel op voor mensen die een advocaat niet zelf kunnen betalen. De overheid kan dan subsidie verlenen voor de advocaatkosten, dat wordt een toevoeging genoemd. Meestal moet de cliënt een eigen bijdrage betalen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

In de volksmond wordt dit ook wel een pro deo advocaat genoemd. Pro deo is Latijn en betekent letterlijk voor God, geen salaris dus. De term pro deo advocaat klopt niet helemaal voor een advocaat die op toevoegingsbasis werkt. Veel maakt dat niet uit, duidelijk is wat met die term wordt bedoeld.

Tegenwoordig hebben ook veel mensen een rechtsbijstandverzekering afgesloten. Als er moet worden geprocedeerd, heeft zo’n verzekerde het recht op vrije advocaatkeuze, de verzekerde mag de advocaat zelf uitkiezen. De verzekerde is dan dus niet verplicht om de advocaat te nemen die de verzekeraar voorstelt. Dat geldt voor een advocaat/jurist die bij de verzekeraar in dienst is, maar ook voor een externe advocaat.

Het is dus goed om u af te vragen of u wilt dat uw zaak door de voorgestelde advocaat/jurist wordt behandeld, of dat u zelf een advocaat wilt uitzoeken. Een goede vertrouwensrelatie en een goede samenwerking zijn van belang voor het verloop van de procedure. U heeft het recht om op zoek te gaan naar een advocaat die bij u past.

Beroeps- of bezwaartermijn tegen een besluit verlopen?

De Algemene wet bestuursrecht is duidelijk:  De bezwaar- en beroepstermijn bedraagt in beginsel zes weken (let op de uitzondering in de Ziektewet, want daarin is de bezwaartermijn soms korter!).  In de praktijk komt het echter regelmatig voor dat iemand pas te laat een besluit onder ogen krijgt en de termijn versterken is. Welke juridische mogelijkheden heeft de burger  dan nog?

Als de burger stelt dat hij het besluit niet heeft ontvangen is het regelmatig  toch mogelijk om nog bezwaar te maken, omdat overheden besluiten meestal niet per aangetekende post versturen en vaak ook niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikken. Ook voor de gemeente Rotterdam was dat tot voor kort ook het geval.

Op 8 november 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep echter geoordeeld dat het Rotterdamse verzendsysteem Socrates een deugdelijke verzendadministratie is (2016:4237). De rechtbank Rotterdam heeft dit oordeel in een uitspraak van 6 januari 2017 gevolgd (2017:176). Dat houdt in dat de burger de ontvangst van een besluit van bijvoorbeeld W&I van Rotterdam  gemotiveerd zal moeten betwisten. Een simpele ontkenning van de ontvangst van het besluit lijkt niet meer voldoende te zijn.

De uitspraak van 8 november 2016 is wel een uitspraak van één raadsheer geweest in plaats van de gebruikelijke drie. Het is dus afwachten of de Centrale Raad in een meervoudige kamer dit oordeel gaat volgen, maar voorlopig is het wel de lijn die de rechtbank Rotterdam volgt.

De rechtbank Rotterdam heeft  daarnaast op 1 november 2016 (2016:8295) overwogen dat de vraag of de burger de ontvangst van een besluit op niet onaannemelijke wijze heeft betwist wordt beantwoord in het kader van de verschoonbare overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn. Als de burger de ontvangst van een besluit op een niet ongeloofwaardige wijze betwist, dan gaat daardoor niet opnieuw een termijn van 6 weken lopen, maar alleen een termijn van 2 weken. Tenzij de burger op grond van uitlatingen van het bestuursorgaan een beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen dat de termijn langer is.

Wat is een niet onaannemelijke betwisting van de ontvangst?

Dit begrip is contextafhankelijk. Wie echter bijvoorbeeld in een telefoongesprek met de gemeente dingen zegt op grond waarvan aangenomen wordt dat men bekend is met het besluit, zal daarna nog moeilijk de ontvangst ervan op een niet onaannemelijke wijze kunnen betwisten.

Wat te doen?

  1. Betwist hoe dan ook de ontvangst van een besluit. Zeker als dit niet per aangetekende post verstuurd is. Het bestuursorgaan moet daar sowieso op reageren.
  2. Maak zodra u het besluit alsnog in bezit krijgt en de bezwaar- of beroepstermijn reeds is verlopen, binnen 2 weken bezwaar of stel binnen 2 weken beroep in.

Let op als u de berichtenbox van MijnOverheid gebruikt.

De bovenstaande rechtspraak lijkt niet zo belangrijk meer te zijn als een overheid (bijvoorbeeld de belastingdienst/toeslagen, maar nog geen gemeenten) besluiten kan plaatsen in de door de burger zelf daarvoor opengestelde berichtenbox van mijn.overheid.nl.  Als de overheid aantoont dat het bericht geplaatst is in de juiste berichtenbox  en een e-mailnotificatie naar het juiste e-mailadres van de burger is verstuurd, dan lijkt het  zonder zeer diepgaande technische informatie erg moeilijk  om de ontvangst van het besluit nog op een niet onaannemelijke wijze te betwisten (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2016:2994).

Te laat bezwaar gemaakt of beroep ingesteld en de ontvangst niet op een aannemelijke wijze betwist?

In dat geval kunt u een nieuwe (herhaalde) aanvraag indienen of een verzoek doen om het juridisch vaststaande besluit te herzien.
Op grond van recente jurisprudentie kan een herzieningsverzoek of een herhaalde aanvraag alsnog inhoudelijk behandeld worden door het bestuursorgaan. Dit is ook mogelijk als er geen nieuwe feiten en omstandigheden aan ten grondslag zijn gelegd (ECLI:NL:CRVB:2016:4872). Het bestuursorgaan mag wel kiezen of het een herhaalde aanvraag of herzieningsverzoek inhoudelijk behandelt of verkort afdoet op grond van artikel 4:6 Awb als geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn.

Het is de vraag of deze jurisprudentie veel verschil gaat maken met de bestaande praktijk en of bestuursorganen bereid zullen zijn om herhaalde aanvragen en herzieningsverzoeken  ruimhartiger te beoordelen. Het bestuursorgaan mag hierin een keuze maken. Het is onduidelijk of een bestuursorgaan in bepaalde situaties verplicht kan worden om een herhaalde aanvraag toch inhoudelijk te behandelen.

Naar de toekomst toe is het doen van een nieuwe aanvraag of een  herzieningsverzoek eenvoudiger als er sprake is van een duuraanspraak (zie de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:1). Uitkeringen zoals bijvoorbeeld een WIA-uitkering zijn meestal duuraanspraken  tenzij het om eenmalig uitgekeerde of teruggevorderde bedragen gaat.

Als de Sociale Dienst een maatregel heeft opgelegd kan tijdens de looptijd van de maatregel  nog een beroep op de inkeerregeling worden gedaan, maar dan moet er wel sprake zijn van een aantoonbare gedragsverandering. In het geval van een boete op grond van de Participatiewet kan de gemeente Rotterdam  onder voorwaarden  om kwijtschelding worden verzocht[1].

Tegen de weigering om een besluit te herzien of tegen de beslissing op de herhaalde aanvraag  kan overigens apart  bezwaar worden gemaakt, maar let op dat de juridische speelruimte daarin  snel beperkt is.

Conclusie

Het beste is om het niet zo ver te laten komen en de post of uw berichtenbox goed in de gaten te houden. Wie te laat bezwaar maakt of beroep instelt, is namelijk afhankelijk van de bereidheid van een bestuursorgaan om nog eens naar de zaak te kijken. In de praktijk is die bereidheid meestal niet zo groot.
Als u bezwaar wilt maken tegen een besluit of in beroep wilt gaan tegen een besluit op bezwaar kunt u sowieso bij een advocaat terecht. Afhankelijk van uw inkomen is meestal gefinancierde rechtsbijstand mogelijk.

Als u vragen heeft over een besluit waarvan de bezwaar- of beroepstermijn verlopen lijkt te zijn of als het onduidelijk is of er een besluit genomen is, dan kunt u voor overleg contact opnemen met een van onze advocaten van de sectie Sociale Zekerheidsrecht of op vrijdag het gratis spreekuur bezoeken.

[1] Zie artikel 7 van de Beleidsregels opschorting, intrekking en terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2017

Wajong: Wie thuis zelf afwast, heeft arbeidsvermogen?

De nieuwe Wajong bestaat al weer 2 jaar. Het UWV is bezig met de herbeoordeling van de mensen die voor 2015 al recht op een Wajong- uitkering hadden en intussen zijn ook de eerste gerechtelijke uitspraken over de Wajong 2015 verschenen.
De Wajong 2015 gaat uit van een heel ander criterium dan voorheen.  Sinds 2015 bestaat in beginsel alleen recht op een Wajong uitkering als iemand op zijn 18e verjaardag als gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheid tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 1a:1  Wajong).

Het nieuwe criterium gaat uit van een absolute maat: Je hebt duurzaam geen arbeidsvermogen of wel. De loonvergelijking onder de oude Wajong is  vervangen door een beoordeling van de arbeidsmogelijkheden. Iemand die minder dan het minimumloon kan verdienen, maar bijvoorbeeld met behulp van loonkostensubsidie aan het werk zou kunnen heeft dus in beginsel arbeidsvermogen en valt dan niet onder de Wajong. Misschien bestaat in dat geval recht op een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dan kunnen wel onder andere de uitsluitingsgrond wegens studiemogelijkheden (artikel 13 lid 1 sub c) en de kostendelersnorm (artikel 22a) van toepassing zijn. Dit geldt overigens niet voor mensen waarvan tijdens de herbeoordeling komt vast te staan dat zij over arbeidsvermogen beschikken. Zij behouden een Wajong-uitkering, maar die wordt per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

In artikel 1a van  het Schattingsbesluit is uitgewerkt wat onder geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verstaan:
– geen taak uit kunnen voeren in een arbeidsorganisatie;
– niet over basale werknemersvaardigheden kunnen beschikken;
– niet aaneengesloten ten minste een periode van een uur kunnen werken;
– niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn, tenzij men ten minste 2 uur per dag belastbaar is en in staat is om ten minste het minimumloon per uur te kunnen verdienen.

Iemand heeft geen arbeidsvermogen als een van deze vier punten van toepassing is.  Om recht op een uitkering te krijgen moet echter ook gekeken worden of het arbeidsvermogen zich niet alsnog kan ontwikkelen. Het ontbreken van arbeidsvermogen moet duurzaam zijn.

Het UWV heeft voor de uitvoering van de Wajong 2015 een werkinstructie gemaakt die is gepubliceerd in het Compendium Participatiewet. Dit is geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb, maar wordt door rechters wel als interne werkinstructie gezien. Dat houdt in dat het UWV bij het motiveren van besluiten op grond van de Wajong 2015 zich niet kan beperken tot een verwijzing naar de inhoud van het Compendium, maar dat de burger zich in een procedure hierop wel kan beroepen.

Anders dan voorheen legt de verzekeringsarts onder de Wajong 2015 de beperkingen van een cliënt niet meer vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst waarna de arbeidsdeskundige berekende hoeveel procent iemand arbeidsongeschikt is. In plaats daarvan beschrijft de verzekeringsarts nu in meer algemene termen welke participatieproblemen iemand heeft waarna de arbeidsdeskundige een analyse van het arbeidsvermogen maakt. Hierin worden echter geen concrete functies meer geselecteerd.  De arbeidsdeskundige legt in meer algemene termen de voor de cliënt geldende  voorwaarden voor het functioneren in werk en in werkomgeving vast.

Hieronder zal ik de vier criteria uit het Schattingsbesluit bespreken:

1.Een taak

Een taak wordt in het Schattingsbesluit beschreven als het kleinste onderdeel van een functie, die bestaat uit een of meerdere handelingen (zie art 1a lid 2 SB).
Het UWV heeft voor de toepassing van de Wajong 2015 een takenbestand gemaakt. De inhoud is gerelateerd aan stages in het praktijkonderwijs: Groen, zorg en welzijn, dienstverlening en techniek. Een voorbeeld van een taak is ‘handmatig afwassen’.

De arbeidsdeskundige moet minimaal 1 taak kunnen selecteren. Bij het selecteren van een taak kijkt het UWV naar taken die klant in het dagelijks leven uitvoert. Vervolgens toetst het UWV of iemand kan voldoen aan de voorwaarden die staan in de taakomschrijving. Zoals bijvoorbeeld handmatig afwassen. Dagelijkse activiteiten spelen ook een rol. Wie wel eens kantinedienst draait op een sportclub (en daar afwast) zal al snel geacht worden die taak te kunnen verrichten. Als het UWV uit het dagverhaal geen taak kan afleiden dan moet de geschiktheid van een taak uitgebreider worden gemotiveerd.

Let op dat het takenbestand geen matchingsinstrument is zoals het CBBS in de WIA en de oude Wajong. De arbeidsdeskundige hoeft daarom niet te onderzoeken of de belasting die in een taak voorkomt (bv. 60 cm reiken) binnen de beperkingen van een klant valt. De taken hoeven ook niet als aparte functie voor te komen. De taken zijn alleen bedoeld om aannemelijk te maken dat iemand arbeidsvermogen heeft. Het is niet gezegd dat iemand die taak moet gaan doen of dat der geselecteerde taak ook de enige taak is die iemand kan doen.

Wie thuis afwast heeft daardoor nog geen arbeidsvermogen, maar de kans is groot dat hij daarmee wel aan 1 van de voorwaarden heeft voldaan.

2. Basale werknemersvaardigheden

Als iemand een taak kan uitvoeren wil dat nog niet zeggen dat hij die handelingen ook in een arbeidsorganisatie kan verrichten. Hiervoor moet iemand wel over basale werknemersvaardigheden  beschikken. Het UWV heeft in het Compendium omschreven wat dat begrip inhoudt:

– een opdracht kunnen begrijpen, onthouden en uitvoeren;
– werkgeversgezag accepteren.

Het UWV ziet tempo en gedrag overigens niet als basale werknemersvaardigheden (zie pagina 46 van het Compendium), maar laat het bij de beoordeling van een uur kunnen werken of ten minste 4 uur per dag belastbaar kunnen zijn een rol spelen.

Let op dat wanneer het UWV aannemelijk maakt dat via bijvoorbeeld begeleiding op de werkplek er voor kan worden gezorgd dat iemand een opdracht zal begrijpen, onthouden en uitvoeren en om kan gaan met werkgeversgezag er niet (duurzaam) sprake is van het ontbreken van basale werknemersvaardigheden.

3. Een uur aaneengesloten kunnen werken

Het gaat erom dat niet vaker dan één keer per uur wegens ziekte of gebrek een substantiële onderbreking van het werk nodig is. Het even vertreden is overigens geen substantiële onderbreking en het is bij de beoordeling van dit punt niet relevant of permanent toezicht noodzakelijk is.
In het compendium richt het UWV de beoordeling van dit aspect met name op gedrags- en concentratieproblemen die het  aaneengesloten kunnen werken onmogelijk kunnen maken. Daarbij lijkt het erop dat als iemand langdurig kan gamen of TV kijken het ook mogelijk moet zijn om een uur aaneengesloten te kunnen werken (pagina 56 van het Compendium).

4. Ten minste vier uur per dag belastbaar zijn of ten minste twee uur het minimumloon per uur kunnen verdienen.

Aan deze beoordeling ligt de aanname ten grondslag dat wanneer iemand minder dan 4 uur per dag kan werken, niet verwacht kan worden dat een werknemer zo iemand in dienst neemt.
Bij de beoordeling maakt de verzekeringsarts gebruik van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ die ook voor de WIA of WAO wordt gebruikt. De verzekeringsarts hoeft zich bij de Wajong 2015 echter alleen over uit te spreken of iemand ten minste vier uur of eventueel twee uur per dag belastbaar is . De vraag of dat meer is en zo ja, hoeveel meer, hoeft niet te worden beantwoord.

Duurzaam geen arbeidsvermogen
Als het UWV vaststelt dat iemand niet over arbeidsvermogen beschikt zal ook gekeken moeten worden of iemand geen arbeidsvermogen zal kunnen ontwikkelen. Het duurzaamheidsbegrip in de Wajong 2015 lijkt niet hetzelfde te zijn als het begrip duurzaam arbeidsongeschikt in artikel 4 van de WIA.

In het Compendium heeft het UWV een beoordelingskader ontwikkeld dat uitgaat van een stappenplan (pagina 66 e.v.).

Stap 1:  De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.
Stap 2: De verzekeringsarts stelt vast of er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en dat de aandoening zodanig ernstig is dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.

Stap 3: De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang: Het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Dit stappenplan geldt overigens niet voor de (oude) Wajonggerechtigden die herbeoordeeld worden. Op grond van artikel 3:8a lid 3 Wajong geldt dat zij die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben op die dag geacht worden dat duurzaam niet te hebben. Het UWV hoeft dan in de herbeoordeling niet te onderzoeken of iemand nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen.

Toepassing in de praktijk

Het effect van de Wajong 2015 is dat sindsdien de instroom aanmerkelijk is gedaald. Het UWV rapporteerde in de januarinota en de juninota van 2016 de volgende cijfers:

2014: instroom 18.000 personen (inclusief heropeningen van oude uitkeringen).
2015: geraamde instroom 6.000 / daadwerkelijk 4.500 (inclusief heropeningen, Wajong 2015 = 1.300).
2016: geraamde instroom 3.700  personen (inclusief Wajong 2015: 1.700 personen)

De staatssecretaris schreef op 17 december 2015 aan de Tweede Kamer dat het aantal aanvragen in het begin van 2015 met 60% was gedaald. En het CBS rapporteerde op 31 augustus 2016 dat onder andere door de nieuwe Wajong ten opzichte van juni 2015 16% meer jongeren tot 27 jaar in bijstand waren gekomen.

Het blijkt in de praktijk niet eenvoudig om aan te tonen dat iemand duurzaam geen arbeidsvermogen op grond van de Wajong 2015 heeft. De uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 3 november 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:6931) laat echter zien dat het zo nu en dan toch lukt. Gelet op deze uitspraak lijken de kansen op succes te stijgen als men er in slaagt om verklaringen van artsen, behandelaars, praktijkbegeleiders en voormalige werkgevers te overleggen die onderstrepen dat iemand geen arbeidsvermogen heeft en ook niet over leervermogen beschikt om dat eigen te maken.

Dit kan een probleem vormen bij herbeoordelingen of laattijdige aanvragen, omdat de aanvragen dan veelal wat ouder is en al geruime tijd niet meer naar school gaat.  Een recente verklaring van een praktijkbegeleider waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de stage mislukte zal dan veelal ontbreken. Overigens heeft de staatssecretaris op 2 december 2016 aan de Tweede Kamer geschreven dat het UWV constateert dat met het oplopen van de leeftijd van de Wajongers de indicatoren waarop men de voorlopige indeling baseert steeds minder goed voorspellen of er sprake is van arbeidsvermogen. Het UWV heeft daarop besloten de voorlopige indeling voor het laatste leeftijdscohort op basis van minder indicatoren uit te voeren. Dit betekent dat meer mensen dan oorspronkelijk verwacht zullen worden ingedeeld in de categorie «geen arbeidsvermogen». Deze wijziging maakt het ook mogelijk dat UWV de herindeling conform afspraak kan afronden (34352, nr. 50).

Rechtbanken overwegen verder snel dat op grond van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep dat aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en een arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) een bijzondere waarde toekomt, mits deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Daardoor is het in de praktijk vaak lastig  voor de betrokkene om de conclusies van het UWV te weerleggen. De wijze waarop het UWV onder de Wajong 2015 rapporteert maakt dat niet makkelijker. Na het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens in de zaak Korošec tegen Slovenië (zaak nr. 77212/12) is het echter de vraag of een rechtbank daarmee kan blijven volstaan. Ik meen dat rechters bij enige twijfel juist sneller een onafhankelijke deskundige moeten benoemen om de zaak te onderzoeken.

Conclusie
Wie bijvoorbeeld zelf afwast en veel gamet heeft nog geen arbeidsvermogen als bedoeld in de Wajong 2015, omdat het nog niet zegt dat iemand ook ten minste vier uur per dag in een werkomgeving kan functioneren. Desondanks kan het UWV in de praktijk toch snel oordelen dat iemand wel aan de vier criteria van arbeidsvermogen voldoet.

Dat wil nog niet zeggen dat een weigering of een negatieve uitkomst van een herbeoordeling een juist besluit is. Op de rapportages van de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts van het UWV en op de inhoud van het Compendium Participatiewet is nog wel wat af te dingen. Als u vragen heeft over de uitkomst van uw herbeoordeling of over een beslissing op uw aanvraag van een Wajong uitkering of als u bijstand wilt in een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een besluit van het UWV dan kunt u hierover telefonisch of per email contact opnemen met Mark Hüsen (m.husen@advokatenkollektief.com).

Het nieuwe WMO-beleid thuiszorg in Rotterdam blijft te onduidelijk.

In zijn brief van 7 oktober 2016 heeft wethouder De Jonge bericht hoe de gemeente Rotterdam omgaat met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over huishoudelijke hulp. Zie ook ons eerdere bericht hierover.

De wethouder had eerder aangekondigd dat de beleidsregels zouden worden geconcretiseerd, dat het leveringsplan van cliënt en zorgaanbieder zou worden aangescherpt en dat de beoordeling van het leveringsplan deel uit gaat maken van de besluitvorming. In de zomer heeft de gemeente hierover overleg gevoerd met de Brede Raad en zorgaanbieders.

In augustus 2016 zijn de beleidsregels gewijzigd (Gemeenteblad 2016/138). In het nieuwe beleid is nauwkeuriger omschreven wat een schoon en leefbaar huis inhoudt en hoe dat moet worden gerealiseerd. Desondanks blijft in het beleid nog behoorlijk wat beoordelingsruimte bestaan. Zo staat bijvoorbeeld in artikel 7.1 dat het schoonmaken van de keuken één keer per week of één keer per twee weken hoeft te gebeuren zonder dat heel concreet staat aangegeven wanneer met één keer per twee weken kan worden volstaan en wat de duur van de schoonmaakwerkzaamheden dan is.

Met ingang van 10 oktober 2016 geldt ook een nieuwe werkwijze waarbij cliënt en zorgaanbieder het bovenstaande beleid concreet maken door in het leveringsplan zowel de frequentie van de werkzaamheden als de frequentie van de aanwezigheid van de hulp vast te leggen.  Als de cliënt het met de inhoud van het plan niet eens is, dan kan hij dat tegen de zorgaanbieder zeggen.  Als zorgaanbieder en klant het niet eens worden dan zal het leveringsplan ter beoordeling naar de gemeente worden gestuurd. Als de cliënt het daarna oneens blijft met de inhoud van het leveringsplan, dan kan de cliënt bezwaar maken tegen het uiteindelijk genomen besluit.

Deze nieuwe werkwijze houdt dus in dat er een soort tweede keukentafelgesprek komt waarin de cliënt samen met de zorgaanbieder het leveringsplan op moet stellen. Zo’n tweede gesprek kan met name voor de oudere of gehandicapte cliënt belastend zijn. Het is daarbij belangrijk dat de cliënt goed oplet hoe het leveringsplan wordt ingevuld en dat als de cliënt het niet eens is hij in het plan aangeeft dat hij niet akkoord is met de inhoud, want alleen als de cliënt daar zelf om vraagt zal de gemeente het leveringsplan inhoudelijk beoordelen en daarover een besluit nemen.

Het werken met resultaatsgebieden zoals Rotterdam dat doet leidt niet per definitie tot onvoldoende hulp voor de klant, maar de criteria waarop het resultaat schoon en leefbaar huis is gebaseerd zijn nog steeds dermate onduidelijk dat het risico dat dit toch gebeurt, groot is. Het recente rapport ‘Schone Schijn’ van de Rotterdamse rekenkamer laat zien dat dit risico reëel is. Met de nieuwe beleidsregels ondervangt de gemeente dat risico maar ten dele.

Daarnaast past het beleid nog steeds niet binnen het systeem van de WMO waarin het college aan de hand van objectieve criteria het recht op ondersteuning vast moet stellen. Omdat de zorgaanbieder met de klant het leveringsplan invult, houdt de zorgaanbieder in de praktijk toch een grote mate aan beoordelingsvrijheid bij het concreet vaststellen van het recht van de klant op ondersteuning terwijl eigenlijk de gemeente dat moet doen.

Als u het niet eens bent met de inhoud van het leveringsplan omdat u vindt dat de daarin door de zorgaanbieder te leveren zorg onvoldoende is, dan moet u dat melden aan de gemeente. Als u het daarna oneens blijft dan moet u op tijd in bezwaar gaan tegen het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt. Dat bezwaar is niet kansloos, omdat de criteria waarmee de gemeente de beoordeling doet waarschijnlijk nog steeds onvoldoende objectief en concreet zijn om aan de eisen van de WMO te voldoen.

Als u vragen heeft over het opstellen van het leveringsplan of bezwaar wilt maken tegen een besluit van de gemeente over huishoudelijke hulp dan kunt u hierover contact opnemen met een van onze advocaten van de sectie Sociale Zekerheid of op vrijdagmiddag het spreekuur bezoeken.

Uithuisplaatsing kinderen zonder goedkeuring van de rechter

Steeds vaker komt het voor dat, indien hulpverleningsinstanties grote zorgen hebben over de veiligheid van kinderen, ouders worden bewogen om vrijwillig mee te werken aan de uithuisplaatsing van hun kinderen. In Rotterdam gebeurt dit vaak in het kader van een zogenaamd “drangtraject” en wordt de beslissing tot het inzetten van hulpverlening onder drang gemaakt door het Jeugdbeschermingsplein. In de regio Haaglanden noemt men de inzet van hulpverlening bij ernstige zorgen zonder rechterlijke toetsing “preventieve jeugdbescherming”.

Als ouders en kind goed samenwerken met de hulpverleningsinstanties en zich hierbij gesterkt voelen is goede en eventueel intensieve vrijwillige hulpverlening te prevaleren boven het zogenaamde ‘gedwongen kader’. Onder omstandigheden kan een tijdelijke vrijwillige uithuisplaatsing aangewezen zijn.

Ik maak mij zorgen over de mate waarin ouders vrijwillig toestemming geven voor een uithuisplaatsing. Veel cliënten handelen vanuit een angst dat, als de situatie wordt voorgelegd aan de kinderrechter, dit het allemaal alleen maar erger maakt. Die angst is vaak onterecht. De kinderrechter is er nu juist om te beoordelen wat er aan de hand is en hoort daarbij zowel de ouders als de hulpverlening. Ouders (en kinderen vanaf 12 jaar) hebben het recht gehoord te worden en het recht zelf stukken of een plan van aanpak in te dienen, om te laten zien dat zij het niet eens zijn met de gestelde zorgen. Zij hebben ook het recht andere, minder heftige alternatieven naar voren te brengen om de situatie op te lossen.

Binnen een juridisch kader van bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling hebben ouders naast plichten ook diverse rechten, die niet afdwingbaar zijn bij vrijwillige medewerking. Een voorbeeld is dat er binnen zes weken een schriftelijk plan van aanpak ligt, waarin wordt beschreven welke zorgen er zijn en op welke wijze, binnen welke termijn en met welke jeugdhulp wordt getracht het tij te keren. Dit biedt handvatten aan ouders om te borgen dat noodzakelijke jeugdhulp ook daadwerkelijk binnen een redelijke termijn wordt ingezet.

Ouders hebben daarnaast ook de mogelijkheid bij onoverbrugbare verschillen de kinderrechter (met behulp van een advocaat) te vragen om te bemiddelen (geschillenregeling kinderrechter). Het blijft, met of zonder juridische maatregel primair de verantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouders om te bewaken dat noodzakelijk geachte hulp ook daadwerkelijk wordt geleverd. Wachtlijstproblematiek, niet ingekochte – maar wel noodzakelijke – jeugdhulp, stilzitten van jeugdbescherming door ziekte of vervanging mogen immers niet ten koste gaan van het kind.

Ook bij een vrijwillige uithuisplaatsing kan het voorkomen dat de zorgen bij de hulpverlening mettertijd niet afnemen, maar juist toenemen. Een aanvankelijk vrijwillige uithuisplaatsing wordt dan na enkele maanden alsnog mogelijk omgezet in een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De zogenaamde aanvaardbare termijn (ruwweg binnen 1,5 jaar na uithuisplaatsing moet het perspectief waar het kind zal opgroeien vastgesteld zijn) begint echter te lopen vanaf de feitelijke uithuisplaatsing.

Netwerkplaatsing

Een voorbeeld is dat ouders die tijdelijk niet voor hun kinderen kunnen zorgen, bijvoorbeeld vanwege een behandeling vanwege psychische problemen, zelf binnen het netwerk een zogenaamd netwerkpleeggezin voorstellen. Voordat kinderen binnen het netwerk geplaatst kunnen worden is het vaak zo dat een pleegzorgorganisatie een zogenaamde netwerkscreening afneemt, waarbij weigeringsgronden kunnen zijn gelegen in het feit dat op het voorgestelde adres sprake is van iemand die in aanraking gekomen is met justitie of zelf een jeugdbeschermingsverleden heeft. In dat geval wordt aan ouders aangegeven dat die mogelijkheid niet bestaat, terwijl er gegeven het alternatief, namelijk plaatsing in een nog onbekend pleeggezin, waarbij het zeer de vraag is hoe vaak de mogelijkheid bestaat tot contact en omgang, ten onrechte niet wordt afgewogen waar het kind beter af is. In die situatie kan het goed zijn de kwestie voor te leggen aan de kinderrechter.

Twijfelt u of u vrijwillig akkoord moet gaan met uithuisplaatsing van uw kind(eren) of wenst u informatie over de mogelijkheden om alternatieven voor te stellen? Wilt u weten wat uw rechten zijn of wilt u bijstand? Aarzel dan niet om vrijblijvend contact op te nemen met een van onze advocaten.

Centrale Raad van Beroep keurt de kostendelersnorm goed

De Centrale Raad van Beroep heeft op 1 november in een serie uitspraken geoordeeld dat de kostendelersnorm niet in strijd is met internationale verdragen (ECLI:NL:CRVB:2016: 3869-3881). Dat betekent dat de kostendelersnorm in beginsel ook geldt als een broer (2016:3875), een ouder (2016:3879 en 3873) of zorgbehoeftige mensen (2016:3872) bij de bijstandsgerechtigde inwonen.

Op 3 november verscheen echter ook een rapport van de gemeente Amsterdam waaruit blijkt dat veel mensen door de toepassing van de kostendelersnorm  financieel in de problemen komen, omdat zij kosten voor onder andere de zorgverzekering, kleding en persoonlijke verzorging minder kunnen delen met anderen dan waar de regering vanuit was gegaan (Het Parool, 03-11-2016, :”Onderzoek gemeente: Woningdeler in de bijstand houdt te weinig over”).

Ondanks dat de kostendelersnorm geldt, kan de gemeente op grond van artikel 18 van de Participatiewet wel  afwijken van de kostendelersnorm. Dit gebeurt echter alleen in zeer uitzonderlijke situaties (zie: ECLI:NL:RBLIM:2016:6009). De bijstandsgerechtigde zal in ieder geval met een concrete berekening aan moeten tonen dat hij met de kostendelersnorm te weinig overhoudt en dat dit leidt tot een urgentie situatie waardoor van de kostendelersnorm moet worden afgeweken. Overigens zal de ene gemeente daartoe sneller bereid zijn dan de andere.

Betrokkenen kunnen na de uitspraken van de Centrale Raad nog wel een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.  Het Hof geeft staten echter meestal een ruime beoordelingsvrijheid in het sociale zekerheidsrecht. Derhalve is de kans klein dat de kostendelersnorm  in strijd met het EVRM blijkt te zijn.  Desalniettemin is het de vraag of in het geval van bijvoorbeeld zorgbehoeftige mensen de kostendelersnorm  niet een disproportioneel middel is ten opzichte van het beoogde doel  (het beheersbaar houden van de overheidsfinanciën). Gemeenten zouden in dat soort situaties minder terughoudend moeten zijn in het toepassen van de mogelijkheid om via artikel 18 af te wijken van de kostendelersnorm.

De kostendelersnorm blijft dus in stand. Gemeenten kunnen in zeer specifieke gevallen wel maatwerk leveren, maar dat kan de kostendelersnorm niet opheffen of veranderen. Hiervoor zal het nieuwe kabinet de wet moeten wijzigen.