Schade: wat nu?

In Nederland is het uitgangspunt dat een ieder zijn eigen schade draagt, tenzij de schade is ontstaan door iemand anders. Als je iemand aansprakelijk wilt stellen met het doel om die persoon op te laten draaien voor jouw schade, dient sprake te zijn van een onrechtmatige daad.

Volgens de wet is er sprake van een onrechtmatige daad als je een ander een verwijt kunt maken over een doen of nalaten waarbij in strijd wordt gehandeld met een wettelijke plicht, of waarbij sprake is van een inbreuk op een recht, of waarbij in strijd wordt gehandeld met gewoonteregels.

Het kan hierbij gaan om een divers aantal schadegevallen zoals letselschade als gevolg van een mishandeling of verkeersongeval, schade als gevolg van een vernieling van goederen, of bijvoorbeeld schade als gevolg van de aankoop van een kat in de zak. In principe kun je allerlei soorten schade die je lijdt op een ander verhalen.

Als je de schade op een ander kunt verhalen, is het van belang dat je zelf bewijs levert van je schade. Zorg er dus voor dat je facturen, (medische) verklaringen en andere stukken zorgvuldig bewaart. Wacht ook niet te lang met het aanspreken van een ander. Je moet namelijk binnen een redelijke tijd de ander op de hoogte stellen dat je schade hebt geleden. Indien je meer dan vijf jaren laat verstrijken voor dat je iemand aansprakelijk stelt, ben je te laat.

Ieder geval is anders en heeft een aparte beoordeling nodig.  Wij kunnen u hierover adviseren. Iedere vrijdagmiddag tussen 13:00 en 15:00 bent u welkom op ons gratis inloopspreekuur, u kunt dan uw vraag voorleggen. U hoeft hiervoor geen afspraak te maken. Uiteraard kunt u ook telefonisch contact met ons opnemen.

Partners Eritrese asielzoekers niet welkom

Wie zei er, dat Nederland (te) ruimhartig is in het toelaten van familieleden van vluchtelingen?
Vraag een willekeurig aantal Eritreeërs naar hun ervaring en je weet wel beter!

Eritrea heeft een van de meest onderdrukkende regimes ter wereld. Alle jonge mensen, mannen en vrouwen, moeten op hun 18e het leger in voor onbepaalde tijd. Die algemene dienstplicht houdt pas op als je 45 bent. Oppositie is niet toegestaan. Kritiek op het overheidsbeleid of ontduiking van die dienstplicht worden bestraft met lange gevangenisstraffen. En het is verboden om zonder vergunning naar het buitenland te reizen. Als je illegaal bent uitgereisd kun je niet meer terug: je wordt meteen opgepakt bij binnenkomst en er volgt minimaal een jaar cel. En daarna ga je alsnog het leger in tenzij je ouder bent dan 45 jaar.

Logisch dat Nederland Eritreeërs, vaak jonge mannen en vrouwen, die asiel vragen meteen een verblijfsvergunning geeft. Er is voor hen geen weg terug. Maar: hun geluk vinden zij vaak niet in Nederland. Hun partners, achtergebleven in Eritrea, mogen namelijk vrijwel nooit voor gezinshereniging naar  Nederland komen.

Nederland eist voor gezinshereniging van een partner bewijs van het huwelijk of bewijs van samenwoning. En dat bewijs kunnen Eritreeërs vaak niet leveren. Hun huwelijk is alleen door de kerk geregistreerd en kerkelijke akten accepteert Nederland niet. En vanwege die algemene dienstplicht voor onbepaalde tijd hebben veel Eritreeërs de eerste jaren na hun huwelijk geen eigen woning. Zij verblijven op de legerbasis, krijgen nauwelijks loon en brengen alleen de verlofperioden met hun partner door in de woning van één van beide families. En dat geldt voor Nederland niet als “samenwonen”.

De opluchting van Eritrese asielzoekers die in Nederland een asielvergunning hebben gekregen en in ons veilige land mogen bouwen aan een nieuwe toekomst slaat daarom heel vaak om in wanhoop. Hun levenspartner mag niet komen. Die partner zit vast in Eritrea of –erger nog- in Sudan of Ethiopië, bij de dichtstbijzijnde Nederlandse ambassade, in afwachting van het visum om hun geliefde te kunnen nareizen, een visum dat nooit verleend zal worden.

Nederland heeft geen ambassade in Eritrea vanwege de slechte mensenrechtensituatie daar. Voor de aanvraag gezinshereniging is melding bij een Nederlandse ambassade nodig, om vragen te beantwoorden en de identiteit te laten controleren. De in Eritrea achtergebleven partner reist daarom illegaal het land uit in de verwachting de in Nederland toegelaten man of vrouw te mogen nareizen; en zit vervolgens zonder recht of titel, zonder familie, zonder huis, zonder werk, in dat vreemde land, voor eeuwig gescheiden van de geliefde en van de eigen familie.

Je wordt er als advocaat vreemdelingenrecht wel eens moedeloos van. Je staat de Eritrese vluchtelingen bij in procedures over nareis van hun partner maar je weet van tevoren dat die niet veel kans van slagen hebben. De marges zijn heel klein. Je bereidt je cliënt voor op slecht nieuws. De persoonlijke belangen zijn heel groot. En daarom procedeer je toch. Beter vijf keer zo’n zaak  verliezen en een keer winnen dan zes keer zo’n zaak niet gedaan.

Voor dat ene stel, dat samen een veilige toekomst in Nederland tegemoet kan, bij elkaar en nooit meer bang om opgepakt te worden, voor dat ene stel blijft het de moeite meer dan waard om advocaat vreemdelingenrecht te zijn!

Maar zeg mij nooit, dat Nederland te ruimhartig is in het toelaten van partners van asielzoekers!

Rotterdams indicatiebeleid blijft in strijd met de WMO 2015

Op 18 mei had de Centrale Raad van Beroep het Rotterdamse beleid om te indiceren op resultaatsgebieden buiten toepassing gelaten (zie NL:CRVB: 2016:1491 ). Hoewel die zaak nog speelde onder de oude WMO heeft wethouder De Jonge in een brief van 9 juni aanpassingen in het beleid aangekondigd om het Rotterdamse beleid in overeenstemming met de uitspraak van de rechter (zie: 1MO06131 – 16bb4742).

De wethouder kondigt in de brief aan dat het beleid concreter wordt gemaakt, maar dat het werken met resultaatsgebieden  in grote lijnen in stand blijft. De gemeente wil bijvoorbeeld in het leveringsplan wel op gaan nemen hoe vaak hulp langs komt, maar de zorgverlener  behoudt de vrijheid om te bepalen voor hoeveel uren hulp wordt verleend om het resultaat te kunnen bereiken.

Net als onder de WMO 2007 het geval was, moet het college ook onder de WMO 2015 besluiten  over de hoeveelheid hulp waarop de klant concreet recht heeft [i]. In dat opzicht is er niets veranderd. De wethouder stelt voor dat als de klant het niet eens is met de inhoud van het leveringsplan de klant de gemeente om een heroverweging kan vragen voordat een definitief besluit wordt genomen. De vraag is of die werkwijze in overeenstemming is met de wet, omdat de mate waarin het college rechten van klanten vaststelt dan uiteindelijk afhankelijk is van de opstelling van de klant. Dat werkt rechtsongelijkheid in de hand. Het moet voor alle klanten duidelijk zijn welke activiteiten zullen worden verricht,  met welke frequentie deze activiteiten zullen worden verricht en hoeveel tijd daarvoor nodig is, zodat het voor de klant controleerbaar is of de maatwerkvoorziening voldoende is afgestemd op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden. Zie hiervoor ook deze uitspraak.

Daarnaast is onduidelijk of het voorgestelde beleid voldoende objectieve criteria zal bevatten op grond waarvan duidelijk is wat bijvoorbeeld een schoon en leefbaar huis inhoudt. Het door de wethouder aangekondigde overleg met de Brede Raad en zorgaanbieders alleen is op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad ontoereikend om objectieve criteria vast te kunnen stellen. Hiervoor is onderzoek door een deskundige derde nodig die geen belang heeft bij de uitkomst van dat onderzoek. Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad  zijn die objectieve criteria van essentieel belang. Ook dat is onder de WMO 2015 niet veranderd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2016. Zolang er geen andere criteria ontwikkeld worden die voldoende objectief zijn zal de rechter waarschijnlijk blijven terugvallen op het CIZ protocol dat voorheen ook werd gebruikt.

De resultaten van het overleg met de Brede Raad en zorgaanbieders zijn op dit moment nog niet bekend. In recente antwoorden op vragen van de SP-fractie in de gemeenteraad maakt de wethouder nog niet concreet hoe het nieuwe beleid zal komen te luiden.  Het is dus nog even afwachten.  Als het beleid echter inderdaad conform de brief van de wethouder zal worden gewijzigd is de kans groot dat de rechter dat onvoldoende zal vinden. De WMO biedt in zijn huidige vorm geen ruimte voor het indiceren op resultaatsgebieden. De gemeente kan daarom deze werkwijze beter verlaten en de aandacht richten op het formuleren van objectieve criteria om indicaties op te gaan baseren, zodat de klant weet op welke ondersteuning hij concreet recht heeft.

[i] Zie artikelen 2.3.5 en 2.6.2 WMO 2015

Gevolgen kabinetsplannen 2017 uitkeringsgerechtigden

Volgens de koopkrachtcijfers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid  gaat iedereen er in 2017 op vooruit, maar waar bijvoorbeeld een alleenstaande met het minimumloon er 1.2% op vooruit gaat zal dat voor een alleenstaande  bijstandsgerechtigde maar 0.1% zijn. Kennelijk moet werken hoe dan ook lonen. Dat klinkt redelijk, maar in de afgelopen jaren hebben bijstandsgerechtigden door de bezuinigingen  al  veel  voor de kiezen gehad en in de afgelopen jaren gingen zij ten opzichte van de werkenden er al minder of zelfs niet op vooruit. Bovendien stijgt het aantal bijstandsgerechtigden volgens de recente CBS-cijfers voorlopig nog steeds. In juni 2016 waren er  in totaal  512.000 bijstandsgerechtigden (juni 2015: 487.350) waarvan er 285.000 alleenstaand zijn (mei 2015: 275.000).

In 2017 staan geen grote wetswijzigingen meer op stapel. Dit kabinet heeft met onder andere de introductie van de participatiewet in 2015 de belangrijkste wijzigingen in de sociale zekerheid al gerealiseerd. Er zijn echter nog wel twee wetsvoorstellen die de aandacht verdienen:

– Wetsvoorstel verplichting beschut werk. Gemeenten worden in dit voorstel  alsnog verplicht om via de participatiewet de voorziening beschut werk (vroeger: wsw) aan te bieden.  De regering vindt deze wijziging nodig, omdat in de praktijk gemeenten van deze mogelijkheid in de wet weinig gebruik maken.

– Wetsvoorstel aanpassing beslagvrije voet. Het concept van dit voorstel was deze zomer in internetconsultatie. Van verschillende kanten is commentaar op het concept geleverd; het voorstel zal niet zal leiden tot een versimpeling van de berekening van de beslagvrije voet. Het is nu wachten op de daadwerkelijke indiening van het voorstel bij de Tweede Kamer.

Voor wat betreft nieuwe wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid  is het wachten op het nieuwe kabinet dat in 2017 zal aantreden of op een nieuwe recessie die de regering waarschijnlijk weer zal dwingen te gaan bezuinigen om aan de Europese begrotingsregels te blijven voldoen, al rijst de vraag waarop dat na zo’n 35 jaar van hervormingen en bezuinigingen dan  in de sociale zekerheid zou moeten.

Schraalhans blijft keukenmeester…

Nieuwe verordening Individuele inkomenstoeslag van Rotterdam.

Op 7 juli heeft de gemeenteraad een nieuwe verordening individuele inkomenstoeslag vastgesteld.

Kort samengevat staat hierin dat de Rotterdammer die gedurende 5 jaar een inkomen op maximaal 100% van het sociaal minimum heeft gehad recht heeft op een toeslag van € 50,00 per jaar. Dit is ongeacht de leefvorm (amendementen om een hoger bedrag vast te stellen of het bedrag  te differentiëren naar leefvorm zijn verworpen).

De nieuwe verordening heeft  geen terugwerkende kracht, maar mensen die voor de inwerkingtreding van de nieuwe verordening al een aanvraag hadden ingediend (en eventueel bezwaar en beroep hebben ingesteld ) kunnen op grond van de nieuwe regels over 2015 nog wel een toeslag ontvangen als ze aan de voorwaarden voldoen. In het toeslagjaar 2016 wordt overigens eenmalig een dubbele toeslag betaald om de mensen tegemoet te komen die in 2015 geen aanvraag hadden ingediend.

Naast de bovenstaande voorwaarden zal het college beoordelen of de aanvrager geen zicht op inkomensverbetering heeft. Hiervan is mogelijk geen sprake als iemand in de referteperiode bijvoorbeeld een maatregel opgelegd heeft gekregen wegens het niet nakomen van de sollicitatieplicht. Onder de langdurigheidstoeslag was dit op zich ook mogelijk. Het is aannemelijk dat dit met de individuele inkomenstoeslag ook kan, maar omdat het hier beleid betreft moet het college als daartoe aanleiding bestaat wel van dat beleid af kunnen wijken. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak.

Is deze verordening ook onverbindend?

50 euro per jaar is ten opzichte van omringende gemeenten een laag bedrag. Rotterdammers zijn niet per definitie minder arm dan bijvoorbeeld mensen in Schiedam. Omdat gemeenten op grond van de participatiewet echter beoordelingsvrijheid hebben, is de verordening daardoor nog niet onverbindend.

De individuele inkomenstoeslag is in de Participatiewet veranderd in een bevoegdheid van het college om de toeslag beter aan te laten sluiten bij het lokale armoedebeleid (zie TK 2013-2014, 33801, nr. 3, pag. 22). In de toelichting op de verordening wordt echter niet concreet uitgelegd waarom het bedrag van 50 euro past in het Rotterdamse armoedebeleid en aansluit op andere bestaande regelingen. De keuze lijkt vooral ingegeven te zijn vanuit de beperkte financiële kaders van de gemeente. De vraag is of die motivering toereikend is om aan de wettelijke opdracht te voldoen. Ik wijs hierbij bijvoorbeeld op een van de recente WMO uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarin de keuze van de gemeente voor een vast aantal uren werd afgewezen, omdat deze alleen op de financiële kaders was gebaseerd en niet op objectief onderzoek.

Rotterdams beleid inzake commerciële huurprijs kostendelersnorm onverbindend

De kostendelersnorm kent een aantal uitzonderingen. Een ervan is als een medebewoner een commerciële huurprijs betaalt. De wet omschrijft dat begrip echter verder niet. Gemeenten hebben daarom beleidsregels gemaakt waarin het begrip commerciële huurprijs wordt geïnterpreteerd. Rotterdam had de grens van wat een commerciële huurprijs is in 2015 gesteld op 20% van het netto minimumloon (€ 271,90).

De rechtbank Rotterdam oordeelde op 31 mei jl. (NL:RBROT:2016:4017) dat dit beleid in strijd met de wet is, omdat de gemeente een vaste grens had gesteld zonder daarbij acht te slaan op de daadwerkelijk geleverde prestaties. De gemeente moet dus nieuw beleid vaststellen.

De gemeente zou hierbij aansluiting kunnen zoeken bij een uitspraak van de rechtbank Oost Brabant van 26 mei jl. (NL:RBOBR:2016:2689). Het beleid van de gemeente was in deze zaak weliswaar ook in strijd met de wet, maar de toelichting die de gemeente ter zitting had gegeven was wel toereikend. De gemeente was voor de bepaling van wat een commerciële huurprijs is uitgegaan van de volgende aspecten:

– totale oppervlakte;
– gedeelde of ongedeelde woning;
– staat van het gehuurde.

De bestaande huurprijs voor de hele woning delen door het aantal huurders leverde in deze casus overigens geen commercieel gangbare huur op. De rechtbank overwoog dat bij onzelfstandige woonruimte de totale huur hoger uitvalt dan wanneer een woning in zijn geheel als zelfstandige ruimte verhuurd wordt. De rechtbank merkte daarbij op dat de huurcommissie afwijkende bedragen hanteert voor zelfstandige en onzelfstandige woonruimte.

Het is voor de bijstandsgerechtigde in deze Rotterdamse zaak niet zeker dat hij een uitkering zonder kostendelersnorm zal gaan ontvangen, want de gemeente kan op basis van nieuw beleid opnieuw tot de conclusie komen dat er geen sprake is van een commerciële huurprijs.

Wat doen andere gemeenten in de regio?

Omringende gemeenten hebben op verschillende manieren beleid gemaakt. Dit is beleid is te raadplegen via www.overheid.nl.

Capelle aan den IJssel: Normbedrag uit het budgethandboek van het Nibud.
Albrandswaard, Barendrecht: Normbedrag o.g.v. de Wet op Huurtoeslag.
Vlaardingen, Schiedam: Voor kamerhuur wordt aangesloten bij de rekenmethodiek van de huurcommissie waarbij een huur van € 400,- of 75% van de o.g.v. de methodiek van de huurcommissie geldende maximale huurprijs geacht wordt een commerciële huurprijs te zijn.

De kans is groot dat het beleid van Capelle aan den IJssel, Barendrecht en Albrandswaard ook in strijd met de wet is, omdat hierin van vaste bedragen wordt uitgegaan en het erop lijkt dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk geleverde prestaties.

Al met al is er wel heel veel verschil tussen gemeenten. Dat leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Daarom is het wenselijk dat in de wet of in een AMvB een regeling komt over hoe de commerciële huurprijs moet worden berekend. Daarbij zou bijvoorbeeld gebruik gemaakt kunnen worden van de rekenmethodiek van de huurcommissie.

De nieuwe individuele inkomenstoeslag…

… € 50 per jaar is schraal armoedebeleid!

Burgemeester en wethouders hebben op 14 juni een voorstel ingediend voor een nieuwe verordening individuele inkomenstoeslag toeslag (16bb4692).

Kort gezegd komt het voorstel op het volgende neer:
– € 50,-  toeslag per jaar voor de persoon of het gezin dat;
– 5 jaar achtereen een inkomen heeft gehad van hoogstens 100% van de bijstandsnorm.

In het voorstel staan geen categorieën meer. Iedereen tussen 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd kan de toeslag aanvragen.

Deze verordening lijkt qua opzet meer op de oude langdurigheidstoeslag.  Dit past ook bij recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin voor de uitleg van de kernbegrippen voor de individuele inkomenstoeslag ook nadrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij de jurisprudentie die gevormd is onder de langdurigheidstoeslag, zie hiervoor bijvoorbeeld CRvB, 09-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:472.

€ 50,- per jaar is een karig bedrag ten opzichte van de gemeente Schiedam, waar toeslagen tussen de € 370,00 en € 730,00 worden toegekend. Het voorstel lijkt vooral gebaseerd te zijn op de financiële kaders en niet zozeer op de behoefte van de arme Rotterdammer. Bovendien is het opvallend dat zowel een individu als een gezin € 50,- per jaar krijgen. Van het college dat bij zijn aantreden de individuele inkomenstoeslag een premie op inactiviteit noemde, viel dit voorstel wel te verwachten. De Participatiewet laat ook toe dat er verschillen tussen gemeenten bestaan. Als de gemeenteraad € 50,- te laag vindt, zal men de voorgestelde verordening moeten aanpassen of verwerpen.

In het overgangsrecht is voorgesteld dat de nieuwe verordening ook van toepassing zal zijn voor degenen die onder de oude verordening een aanvraag hadden ingediend, maar waarbij de aanvraag op grond van die verordening is afgewezen. De oude verordening was door de rechtbank onverbindend verklaard, omdat enkel mensen tot 27 jaar aanspraak op de individuele inkomenstoeslag konden maken. De hoogte van de toeslag op zich was niet in strijd met de wet. In artikel 4 van de oorspronkelijke verordening staat dat de toeslag gelijk was aan het lesgeld van een Vavo instelling.  Volgens de toelichting was dat in 2015 een bedrag van € 1.118,-. Dat doet de vraag rijzen of mensen die voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank van 14 maart jl. tevergeefs een aanvraag hadden ingediend op grond van het gelijkheidsbeginsel geen beroep zouden kunnen doen op de hoogte van het bedrag dat in die verordening staat genoemd.  Het overgangsrecht zou verder niet gelden voor mensen die onder de oude verordening geen aanvraag hebben ingediend. Dat is streng voor mensen die in 2015 er vanaf hebben gezien om een aanvraag in te dienen, omdat ze – ten onrechte – dachten dat men er toch geen recht op had. Voor die groep lijkt het zinvol om in ieder geval op korte termijn alsnog een aanvraag in te dienen, maar het zou de gemeente Rotterdam sieren als in dit specifieke geval hier soepel mee wordt omgegaan.

Naast de nieuwe verordening individuele inkomenstoeslag,  moet de gemeente Rotterdam als gevolg van een uitspraak van de rechtbank van 31 mei 2016 ook het beleid over de berekening van de commerciële huurprijs voor de toepassing van de kostendelersnorm aanpassen. Daarnaast moet de gemeente naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van 18 mei 2016 ook nog het beleid voor de indicatie op resultaatsgebieden in de WMO aanpassen (zie bericht 24 mei 2016). Op deze onderwerpen komen wij later nog terug, maar de zomerstop is in Rotterdam duidelijk nog niet begonnen.

Onrechtmatig huisbezoek bij studenten

De Centrale Raad van Beroep heeft op 1 juni 2016 een belangrijke uitspraak gedaan in een tweetal zaken over huisbezoeken bij studiefinanciering. Bij de controle of een student uitwonend is, wordt gebruik gemaakt van particuliere bureaus. Deze bureaus zetten eigen medewerkers in om huisbezoeken bij studenten af te leggen, maar er wordt ook gebruik gemaakt van ZZP-ers. De Centrale Raad heeft nu bepaald dat ZZP-ers die door een particulier bureau worden ingeschakeld, niet bevoegd zijn om huisbezoeken af te leggen en niet bevoegd zijn tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Het bewijsmateriaal dat tijdens zo’n huisbezoek is verkregen wordt als onrechtmatig verkregen bewijs aangemerkt. Dit leidt ertoe dat in veel zaken de herziening van de studiefinanciering ongedaan moet worden gemaakt en dat boetes ten onrechte zijn opgelegd.

De zaak waarin de controle door gewone medewerkers in vaste dienst van particuliere bureaus is goedgekeurd door de Centrale Raad van Beroep, is door ons kantoor voorgelegd aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

De vindplaatsen zijn: ECLI:NL:CRVB:2016:1997 en 1943.

De WMO-uitspraken van 18 mei 2016: Einde resultaatsgebieden in Rotterdam?

Op 18 mei heeft de Centrale Raad een aantal uitspraken gedaan over de toepassing van de nieuwe WMO (NL:CRVB:2016:1402, 1403 en 1404).  Deze uitspraken zijn uitgebreid in het nieuws geweest.  Daarnaast heeft de Centrale Raad op 18 mei 2016 ook nog een uitspraak gedaan in een specifiek Rotterdamse WMO-zaak (NL:CRVB: 2016:1491). In die uitspraak bevestigde de Centrale Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2014 waarin de rechtbank had geoordeeld dat de door de gemeente bij de beoordeling van WMO-aanvragen gebruikte resultaatsgebieden een objectieve maatstaf missen, omdat de gemeente niet duidelijk maakt op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan de te behalen resultaten (bijvoorbeeld een schoon en leefbaar huis). De Centrale Raad vindt dat het daardoor voor de cliënt onvoldoende duidelijk is welke zorg hij concreet kan verwachten.

Deze zaak speelde nog onder de oude WMO, maar omdat Rotterdam ook onder de nieuwe WMO met resultaatsgebieden werkt is het te verwachten dat de Rotterdamse werkwijze ook nu niet aan de eisen voldoet die de Centrale Raad daaraan stelt.  De gemeente Rotterdam zal daarom de regels moeten aanpassen, maar wethouder De Jonge verwacht dat het werken met resultaatsgebieden gehandhaafd kan blijven, blijkt uit deze brief.

De gemeente zal daarbij wel rekening moeten houden met de andere uitspraken die de Centrale Raad op 18 mei gedaan heeft. De Centrale Raad overwoog in die uitspraken  dat de gemeenteraad en het college bij de uitvoering van de WMO weliswaar een grote beoordelingsvrijheid hebben, maar dat dit wel binnen de kaders van de WMO moet blijven (zie m.n. artikel 2.3.5 lid 3 WMO). Dat houdt in dat een door het college geboden maatwerkvoorziening een passende ondersteuning moet geven aan de participatie van de cliënt die daarvoor in aanmerking komt*. De Centrale Raad vindt daarbij ook dat als uit onderzoek blijkt dat in een concreet geval maatwerk moet worden geboden niet zonder meer met standaardoplossingen kan worden volstaan.

Dit houdt bijvoorbeeld in dat het gebruik van een algemene basismodule van 78 uur per jaar voor huishoudelijke hulp niet zomaar is toegestaan. De gemeente zal objectief moeten onderzoeken of met 78 uur per jaar inderdaad een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd en de gemeente kan bij de vaststelling van het aantal uren niet alleen letten op de financiële kaders. De Centrale Raad overwoog daarbij overigens ook dat overleg met gecontracteerde zorgaanbieders en cliëntenraden geen toereikend onderzoek is. De gemeente zal meer moeten doen. Voor wat betreft het realiseren van een schoon en leefbaar huis zal de gemeente Rotterdam dus moeten onderzoeken welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor  nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning.

De gemeente Rotterdam heeft weliswaar een grote beoordelingsvrijheid om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en wat een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie is, maar de gemeente moet daarbij wel zorgvuldig te werk gaan.  De gemeente moet de criteria die ze gebruikt baseren op zorgvuldig onderzoek, zal waar mogelijk rekening moeten houden met redelijke wensen van de cliënt en ten slotte moet het voor de cliënt die daarvoor in aanmerking komt ook duidelijk zijn welke ondersteuning hij concreet kan verwachten. Het is dan ook maar de vraag wat er in de praktijk nog over zal blijven van het Rotterdamse indiceren in resultaatsgebieden.

*) De Centrale Raad heeft in de uitspraken van 18 mei overigens niets gezegd heeft over de wijze van invulling van begrippen als ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijke hulp’ in artikel 2.3.5 lid 3 WMO die vooraf gaan aan een maatwerkvoorziening.  Wel overwoog de Centrale Raad uitdrukkelijk dat de zorg voor het schoon en op orde houden van het huishouden een prestatie is die onder de WMO valt.

Brusjes

”Wie toetst de rechten van broers en zussen op samenplaatsing bij uithuisplaatsing?“
door mr. drs. R.H.P. Feiner [1]

Inleiding
In dit artikel wil ik naar voren brengen dat de kinderrechter bij de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing moet worden afgegeven ingevolge artikel 8 EVRM, zo nodig ambtshalve, moet beoordelen of de uithuisplaatsing van broers en zussen op zorgvuldige wijze geschiedt. Mijns inziens kunnen broers en zussen uit één gezin, op basis van art. 8 EVRM en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bescherming ontlenen tegen de scheiding van elkaar door plaatsing in aparte pleeggezinnen[2]. Deze bescherming lijkt noodzakelijk, nu in de (mijn) praktijk, hoewel cijfers hierover ontbreken[3], te vaak wegens praktische problemen broers en zussen in aparte pleeggezinnen geplaatst worden.

In paragraaf één zal aan de hand van de in september 2015 gepubliceerde richtlijn pleegzorg, afkomstig van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) onderzocht worden in hoeverre er aandacht is voor de problematiek rond het gescheiden plaatsen van broers/zussen (zogenoemde ‘brusjes’) in pleeggezinnen in Nederland. Paragraaf twee geeft weer in hoeverre er door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bescherming wordt geboden aan brusjes. In de derde paragraaf zal de (aandacht voor) bescherming van ‘brusjes’-relaties bij uithuisplaatsingen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië worden onderzocht aan de hand van open source bronnen. Ook in Australië en Duitsland blijkt aandacht voor de problematiek.

Hierna volgt paragraaf vier waarin het wettelijk toetsingskader van de kinderrechter met betrekking tot een zorgvuldige beoordeling van de pleegzorgplaatsing van de ‘brusjes’ wordt beschreven.

Tot slot concludeer ik met een aanbeveling aan de kinderrechter.

Paragraaf I: De problematiek van het gescheiden plaatsen van ‘brusjes’ in pleeggezinnen
De praktijk van matching van uit huis te plaatsen kinderen en pleegouders onttrekt zich vaak aan het oog van de kinderrechter, maar ook aan het oog van de gecertificeerde instelling (GI) en de (gezaghebbende) ouders. Hoewel kan worden voorondersteld dat pleegzorg zorgvuldig te werk gaat, indien een GI verzoekt om kinderen na een uithuisplaatsing onder te brengen in een pleeggezin, gaat dit proces voorbij aan het toezicht van de kinderrechter.

Hoewel ik al enkele jaren in mijn praktijk bemerk dat het zeer lastig is om namens ouders de rechter te vragen, om te toetsen of hij bij de beoordeling of een uithuisplaatsing gerechtvaardigd is, te betrekken de vraag of het kind op een goede alternatieve plek terechtkomt en om te waarborgen dat de kinderen niet gescheiden geplaatst worden, werd ik getriggerd tot het schrijven van dit artikel door de publicatie door het Nederlands Jeugdinstituut van de Richtlijn Pleegzorg in september 2015[4]. Het NJI ontwikkelt richtlijnen op het gebied van jeugdhulp en jeugdbescherming die handvatten bieden aan de professionals op basis van best practices.

Vol nieuwsgierigheid stortte ik mij op de lezing van de heldere richtlijn, waarbij ik extra aandacht had voor de vraag of er aandacht werd besteed aan de problematiek van het gescheiden plaatsen van kinderen uit een gezin in verschillende pleeggezinnen. Op de website van richtlijnenjeugdhulp.nl bevindt zich ook een uitgebreider document van 294 pagina’s ter onderbouwing van de Richtlijn Pleegzorg[5]. Op pagina 143 van die onderbouwing wordt specifiek ingegaan op de matching. Ik citeer:

de morele voorkeur voor het bij elkaar plaatsen van broers en zussen wordt niet door wetenschappelijk onderzoek bevestigd. Het bij elkaar plaatsen van broers en zussen kan goed uitpakken, maar het onderzoek hiernaar is niet consistent.”

Ook onder 2.2, pag. 144 e.v. wordt bij de voorgeschreven matchingsmodellen (= model voor het vinden van een goed pleeggezin voor een kind) geen aandacht besteed aan de afweging bij het zoeken naar een geschikt pleeggezin voor samenplaatsing van broers en zussen. Een zelfde conclusie geldt voor hetgeen onder 2.4, Het proces van matching, wordt opgemerkt. Steevast lijkt de matching te geschieden vanuit de behoefte van een individueel pleegkind ten opzichte van mogelijke pleeggezinnen in plaats van broers en zussen ten opzichte van pleeggezinnen. Op pagina 160 wordt bij Conclusies aangegeven:
onderzoeksbevindingen zijn niet eenduidig over het al dan niet plaatsen van broertjes en zusjes bij elkaar.”

Paragraaf II: Bescherming van brusjes-relaties door het Europees Hof v/d Rechten van de Mens.
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de kinderrechter de zorgvuldigheid van de gehele besluitvormingsprocedure met betrekking tot de uithuisplaatsing moet betrekken bij haar oordeel. Daarbij dient streng gekeken te worden of een uithuisplaatsing proportioneel en noodzakelijk is en zich verhoudt met de rechten van het kind. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is al jarenlang een duidelijk toetsingskader op te maken aan welke voorwaarden een maatregel tot uithuisplaatsing moet voldoen wil deze de inbreuk op het gezinsleven ex artikel 8, tweede lid, EVRM rechtvaardigen[6].

Het Hof heeft expliciet de bescherming van brusjes-relaties onder de bescherming van artikel 8 EVRM getoetst[7]. Ik volsta hier met enkele voorbeelden:

De zaak Saviny tegen Oekraïne
In de zaak Saviny tegen Oekraïne overwoog het EHRM, dat op de overheid de positieve verplichting rust om gedurende de uithuisplaatsing een goed contact tussen ouders en kinderen te realiseren én waar mogelijk zorg te dragen dat broers en zussen bij elkaar blijven.[8]

De Duitse zusjes Corinna en Nicola
Een tweede voorbeeld ziet op de zaak Kutzner tegen Duitsland d.d. 10-07-2002[9]. Ouders klagen bij het EHRM dat zij de ouderlijke macht over hun 2 kinderen, Corinna (geboren 1991) en Nicola (geboren 1993), zijn kwijtgeraakt . Zij klagen dat de inbreuk op het gezinsleven niet gerechtvaardigd was en bovendien dat de procedure die leidde tot de rechterlijke beslissing de toets van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM niet kon doorstaan. In deze zaak zijn de zusjes door de Duitse kinderrechter op 27 mei 1997 uit huis geplaatst in verschillende pleeggezinnen.

Het EHRM herhaalt, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, zijn vaste toetsingskader.[10]  Het Hof is vervolgens bijzonder kritisch ten aanzien van de feiten. Niet alleen zijn de kinderen gescheiden van hun ouders, ze zijn ook gescheiden van elkaar geplaatst in verschillende pleeggezinnen, terwijl gedurende de eerste zes maanden het contact tussen ouders en kinderen ernstig werd bemoeilijkt. Bovendien zijn de kinderen op geen enkel moment gehoord door de kinderrechter.[11] Het Hof is over de gescheiden plaatsing van de kinderen en het ontbreken van contact zeer kritisch door te concluderen dat dit tot verdere oudervervreemding leidt en tot verdere vervreemding van de kinderen onderling. De conclusie van het Hof is dat de redenen van uithuisplaatsing voldeden, maar dat de inbreuk op het gezinsleven niet proportioneel is door de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de uithuisplaatsing. Derhalve concludeert het Hof tot een schending van artikel 8 EVRM  [12]

De zaak Olsson tegen Zweden[13]
De Zweedse kinderen Stefan (1971), Helena (1976) en Thomas (1979) worden in augustus 1980 in een kindertehuis geplaatst. Vanuit het kindertehuis wordt Stefan in februari 1981 geplaatst in een pleeggezin 100 km van ouders vandaan. In 1983 wordt die pleeggezinplaatsing afgebroken en komt Stefan in een tehuis voor verstandelijk beperkte kinderen terecht. Helena en Thomas worden ook in aparte  pleeggezinnen geplaatst, 100 km bij elkaar vandaan en zo’n 600 km van ouders en Stefan. Het Europees Hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was, maar eveneens dat de wijze waarop de uithuisplaatsing geschiedde tot een schending van artikel 8 EVRM leidt.

De Zweedse regering had op het oog goede argumenten.[14] De regering gaf aan dat er een gerechtvaardigde angst bestond dat de ouders de kinderen zouden weghalen, omdat dit eerder was gebeurd met Stefan. Daardoor moest Stefan worden overgeplaatst. De ouders waren niet in staat tot goede communicatie met de pleegouders, hetgeen tot conflicten leidde. Voorts had Stefan gelet op zijn specifieke problematiek ook gespecialiseerde hulp nodig. De scheiding tussen Helena en Thomas werd verdedigd door erop te wijzen dat Helena een te grote verantwoordelijkheid voelde voor haar broertje. Beide kinderen hadden voorts kind-eigen problematiek. Aanvankelijk werd beoogd de kinderen wel in het zelfde dorp onder te brengen, maar op het laatste moment bleek dit praktisch onmogelijk. Het EHRM oordeelt, dat nu het niet een adoptie betrof, maar een uithuisplaatsing, de Zweedse staat de positieve verplichting heeft geschonden om maatregelen te nemen om de gezinshereniging en het contact onderling te realiseren. De redenen voor de gescheiden plaatsing van Helena en Thomas acht het EHRM niet overtuigend. Ook het enkele feit dat Stefan speciale zorg nodig heeft rechtvaardigt onvoldoende de afstand en de daarmee gepaard gaande scheiding van de andere twee kinderen.

“To sum up, the implementation of the care decision, but not that decision itself or its maintenance in force, gave rise to breach of Article 8 (art.8).”[15]

Het Europees Hof toetst de rechten van kinderen bij uithuisplaatsing ex artikel 8 EVRM. Wat in het belang van het kind moet worden geacht in het concrete geval wordt afgewogen aan de hand van in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingscriteria. Deze toetsingsmaatstaf is transparant, streng en uitgebreid en biedt bescherming aan brusjes-relaties.

Paragraaf III: Aandacht voor een zorgvuldige afweging en toetsing tot  wel/niet samenplaatsen in o.a. de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië
In de Verenigde Staten is een heel leesbare folder gepubliceerd over “Sibling Issues in Foster Care and Adoption:” [16]. In tegenstelling tot de gepubliceerde richtlijn in Nederland is in de Verenigde Staten aandacht voor de vraag waarom veel broers en zussen niet samen geplaatst worden of uiteindelijk gescheiden opgroeien. In 2008 werd in de Verenigde Staten de Fostering Connections to Success and Increasing Adoptions act of 2008 geïmplementeerd. Die wet droeg de staten op om zich in te spannen om broers-zussenrelaties te doen behouden. The Provisions of Section 206 provide that reasonable efforts shall be made:

to place siblings removed from their home in the same foster care, kinship, guardianship of adoptive placement, unless the state documents that such a joint placement would be contrary to the safety or well-being of any of the siblings; and

  1. in the case of siblings removed from their home who are not so jointly placed, to provide for frequent visitation or other ongoing interaction between the siblings, unless that state documents that frequent visitation or other ongoing interaction would be contrary to the safety or well-being of any of the siblings.”

In de Verenigde Staten heeft men dus al bijna een decennium geleden wetgeving geïmplementeerd om zorg te dragen dat relaties tussen broers en zussen bij uithuisplaatsing of adoptie zo veel mogelijk beschermd en in stand bleven[17]. Uit de folder blijkt dat het ook in de Verenigde Staten vanwege praktische problemen, bijvoorbeeld het niet beschikbaar zijn van pleeggezinnen die ze beiden wilden opnemen, broers en zussen gescheiden opgroeiden. Uit deze wetgeving blijkt, dat de overheid een bijzondere motiveringsplicht heeft, indien broers en zussen gescheiden worden geplaatst. Daarbij dient de overheid aan te tonen waarom het in het individuele geval beter is ‘brusjes’ te scheiden. De bewijslast ligt bij de overheid.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat een soortgelijke website, namelijk www.familyfutures.co.uk waarin de paper Siblings together or apart is gepubliceerd. Volgens dit artikel zou uit een  studie van Kosonen 1999[18] blijken dat ‘brusjes’ die in het pleegzorgsysteem zaten in interviews zouden hebben aangegeven dat ze graag samen wilden blijven en dat als ze zouden worden gescheiden, ze dan in ieder geval dicht bij elkaar geplaatst willen worden en goed contact willen, kunnen onderhouden met elkaar. Uit een studie van Ivalde 2000[19] in de UK blijkt dat 80% van de kinderen in het pleegzorgsysteem broers of zussen hebben maar slechts 37% is geplaatst met een van de broers en zussen.

In het Verenigd Koninkrijk is ook in wetgeving getracht de brusjes-relatie bij uithuisplaatsing te beschermen. De ‘1989 Children Act’ droeg lokale autoriteiten op zich in te spannen voor het samenplaatsen van brusjes. De ‘2002 Adoption and Children Act’ voegde hieraan toe dat de rechter moest toetsen wat het effect is op het kind van een scheiding van zijn familie en het effect op de relaties met de familieleden.

Mijns inziens kunnen er ook goede argumenten bestaan en zijn die ook gegeven waarom onder omstandigheden het niet in het belang van de kinderen is om samen geplaatst te worden. Hoewel volgens een studie van Rushton e.a. (2001)[20] zou blijken dat kinderen die waren afgewezen door hun ouders een betere ontwikkeling hadden als ze samen werden geplaatst met hun broers en zussen, nu dit voor het kind continuïteit, veiligheid en een goede bijdrage leverde aan de identiteitsontwikkeling, blijkt bijvoorbeeld ook uit studies dat kinderen die seksueel misbruikt zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag kunnen vertonen ten aanzien van broers of zussen, en dit kan leiden tot de conclusie dat het beter is om gescheiden te plaatsen. In 2001 hebben Lord & Bothwick in hun boek Together or Apart?[21], condities en omstandigheden geformuleerd die kunnen leiden tot een afweging in het belang van de kinderen om kinderen gescheiden te plaatsen. In het Verenigd Koninkrijk is er een heuse belangenorganisatie voor brusjes.[22]

De Zuid-Australische ‘Office of the Guardian for Children and Young People’ publiceerde in juni 2011 een overzicht van het (internationaal) juridisch en gedragsdeskundig kader van waaruit plaatsingen van brusjes moeten worden afgewogen.[23] In Australië is vrij recent nog in de krant aandacht gevraagd voor een studie onder 1000 uithuisgeplaatste kinderen bleek dat meer dan 1/3 van de kinderen gescheiden wordt van zijn brusjes bij uithuisplaatsing en slechts 29% van de uithuisgeplaatste kinderen met al zijn brusjes samenwoont.[24]

In Duitsland publiceerde Martina Uchtmann een bachelor-scriptie, waaruit aandacht blijkt voor een zorgvuldige toetsing van deze problematiek.[25] Er is zelfs een professor in Berlijn die op dit gebied onderzoek doet.[26] Al in 2007 werd de juridische en gedragsdeskundige problematiek beschreven.[27]

Duidelijk moge zijn dat er in diverse landen veel is gepubliceerd over de problematiek van het gescheiden opgroeien van brusjes na uithuisplaatsing. In de VS en het VK is specifieke wetgeving gerealiseerd. In Australië en Duitsland is transparant beleid te vinden, met als uitgangspunt dat brusjes zo mogelijk samen opgroeien.

Paragraaf IV: Het wettelijk toetsingskader van de kinderrechter
Het ontbreken van een transparant afwegingsmodel binnen pleegzorg maakt a priori dat de zorgvuldigheid van het gescheiden plaatsen van broers en zussen bij een uithuisplaatsing niet zorgvuldig kan worden getoetst. Ik zie geen lijn in de Nederlandse kinderrechtspraak om hierin een toetsingskader te formuleren. Voor een zorgvuldige toetsing van de rechten van brusjes is van belang dat de kinderrechter de oogkleppen afdoet en in zijn beslissing mede toetst of de kinderen wel op zorgvuldige wijze uit huis worden geplaatst. Informatie over de plaatsingsbeslissing (Waar? Waarom daar? Bij wie? Frequentie contact ouders? Brusjes onderling?, enz.) moet door de Gecertificeerde instelling of de Raad voor de Kinderbescherming worden overgelegd. Praktische problemen binnen het stelsel, zoals een tekort aan pleeggezinnen, kunnen in beginsel geen rechtvaardiging bieden voor een gescheiden plaatsing van brusjes. De overheid dient als dan meer financiën en begeleiding voor pleegzorg beschikbaar te stellen om de belangen van de brusjes voorop te stellen.

In FJR 2015/29, Ambtshalve rechterlijke beoordeling van de rechten van het kind voortvloeiend uit artikel 8 EVRM? concludeert mr. Chebti dat uit de jurisprudentie van het EHRM, o.a. Jeunesse vs. Nederland en Menneson vs. Frankrijk, kan worden afgeleid dat kinderen rechten aan artikel 8 EVRM kunnen ontlenen die zowel qua inhoud als reikwijdte niet identiek zijn aan de rechten van hun ouders. Dat betekent dat elke rechter bij een afweging van belangen in het kader van een beroep op artikel 8 EVRM kinderen als zelfstandige rechtssubjecten dient te benaderen en hun recht op een ongestoord family life of private life zelfstandig en kenbaar dient te betrekken in zijn beoordeling. Ik deel die conclusie.

Hier volsta ik met de vaststelling dat het toetsingskader dat de kinderrechters gebruiken in de Nederlandse rechtspraak niet kan tippen aan de vereisten die het Europees Hof volgens vaste rechtspraak stelt (helaas is er, in tegenstelling tot het toetsingsmodel van 348/350 Sv in het jeugdstrafrecht of het toetsingsmodel bij de bestuursrechter, bij de kinderrechtspraak sprake van een vrije motivering, waarbij niet volgens een vast omlijnd toetsingsmodel de verzoeken omtrent machtigingen uithuisplaatsing getoetst worden[28]). Feitelijk kan het model van het EHRM worden omarmd. Eventueel kan vaker dan voorheen in dit soort zaken een bijzonder curator worden benoemd, die de zorgvuldigheid van de uithuisplaatsing van brusjes toetst.

Conclusie
In mijn bijdrage heb ik uw aandacht gevraagd voor het gebrek aan zicht en toetsing van de kwaliteit van de pleegzorgplaatsing van kinderen na uithuisplaatsing in dezelfde gezinnen in Nederland. De pleegzorgrichtlijn 2015 van het NJI bevestigt de oorverdovende stilte op het gebied van rechtsbescherming aan brusjes bij uithuisplaatsing. Als mede-opsteller van de brief van bezorgde jeugdrechtadvocaten uit 2008 herinner ik mij dat ook toen reeds aandacht werd gevraagd voor deze kwestie. De wens tot samenplaatsen van broers en zussen in pleegzorg berust niet slechts op een morele voorkeur. De brusjes-relatie is de langst mogelijke relatie die mensen met elkaar aan kunnen gaan. Langer dan met de (pleeg-)ouders. Het betreft een biologische en juridische band, waaraan brusjes bij de scheiding van hun ouders en lang daarna op welke manier dan ook steun kunnen hebben.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dient de besluitvormingsprocedure als geheel te worden getoetst, waarbij het EHRM expliciet ook aandacht heeft gevraagd (in het kader van de vraag of een inbreuk op het gezinsleven in de vorm van de uithuisplaatsing proportioneel en gerechtvaardigd kan zijn) voor het recht van samen opgroeien van broers en zussen, althans zoveel mogelijk contact.

In de VS en het VK is wetgeving geïmplementeerd om de rechten van brusjes(-relaties) bij uithuisplaatsing te borgen. Uit een kort open source onderzoek blijkt dat er aandacht en transparant beleid is voor de bescherming van brusjes-relaties bij uithuisplaatsing in landen als Duitsland, Australië, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.

Nu het recht op gezinsleven tussen broers en zussen wordt beschermd door artikel 8 EVRM mag een beslissing broers en zussen te scheiden slechts worden genomen na een zorgvuldige afweging van belangen, waarbij broers en zussen bescherming verdienen tegen willekeurige inmenging op dat beschermde recht om samen op te groeien. De rechter moet aldus in het licht van de jurisprudentie van het EHRM in het kader van artikel 8 EVRM jo. artikel 3 IVRK bij elke afweging om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen zich ervan vergewissen dat op een zorgvuldige wijze is afgewogen dat broers en zussen samen geplaatst worden en kunnen slechts kindgerichte afwegingen rechtvaardigen dat broers en zussen gescheiden opgroeien. De bewijslast ligt bij de RvdK of de GI. Hierin zijn niet de wensen van pleegouders, of de onmogelijkheid van het systeem leidend, maar de rechten van kinderen.

Beste werkgroep kinderrechters: Gaarne verzoek ik u te komen tot een uniform toetsingskader, waarbij conform artikel 8 EVRM ook het recht van brusjes op samenplaatsing bij het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing integraal wordt afgewogen.

 

[1] Reinier Feiner is advocaat bij Advokatenkollektief Rotterdam. Ik dank Kimberly Rozema, masterstudent Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden, voor haar commentaar tijdens het schrijven van dit stuk.

[2] Zie ook de niet-bindende UN-guidelines alternative care, recommendation “17. Siblings with existing bonds should in principle not be separated by placements in alternative care unless there is a clear risk of abuse or other justification in the best interests of the child. In any case, every effort should be made to enable siblings to maintain contact with each other, unless this is against their wishes or interests.” Via http://www.unicef.org/protection/alternative_care_Guidelines-English.pdf Over

[3] Het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) geeft aan dat in Nederland niet landelijk wordt bijgehouden hoeveel broers en zussen bij uithuisplaatsing gescheiden worden geplaatst (telefonische informatie d.d. 27-10-2015)

[4] http://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/pleegzorg

[5] http://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/wp-content/uploads/2015/08/Richtlijn-Pleegzorg_Onderbouwing_Beveiligd.pdf

[6] Een voorbeeld van het toetsingskader: EHRM 24 september 2012, nr.4547/10, Y.C v. UK, paragraven 133-139.  Zie voor een uitgebreid overzicht: FJR-congresbundel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Commentaren op het voorontwerp van wet, Kluwer 2008, p.41-86 de bijdrage van Caroline Forder: 4. Gaat het voorontwerp van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen te ver of juist niet ver genoeg?- Het voorontwerp getoetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden

[7] Out of home, out of right? Rechten van kinderen bij uithuisplaatsing, van der Zon en Bruning in NJCM Bulletin 2013/39, nr.4. Auteurs concluderen dat er werk aan de winkel is ter implementatie van de rechten van kinderen bij uithuisplaatsing.

[8] EHRM 18 december 2008, nr. 39948606, paragraaf 52. NJCM Bulletin juli/augustus 2009, pag. 523-535 met (uitstekende) noot BW over het toetsingskader van het EHRM.

[9]  EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany.

[10] EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 76.

[11] EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 77 + 78.

[12] Ihkv de vechtscheiding wordt het begrip oudervervreemding als een vorm van psychische kindermishandeling beschouwd. EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner v. Germany, paragraaf 79-82.

[13] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1)

[14] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1), paragraaf 79.

[15] EHRM 24 maart 1988, nr.10465/83, Olsson v. Sweden (no.1), paragraaf 81-84.

[16] https://www.childwelfare.gov/pubs/siblingissues

[17] http://youthlaw.org/publication/keeping-siblings-together-past-present-and-future , artikel van Emily Kernan, 2005 over de ontwikkelingen van het recht op het gebied van brusjes-relaties in de VS.

[18] Kosonen, M 1999, ‘Core and kin siblings. Foster children’s changing families’, We are Family: Sibling Relationships in Placement and Beyond, ed. A Mullender, British Association for Adoption and Fostering

[19] Ivaldi G, Surveying Adoption: A comprehensive analysis of local authority adoption 1998/9 – England, London: BAAF, 2000

[20] Rushton, Dance, Quinton en Mayes, Siblings in late Permanent Placements, London Baaf, 2001.

[21] Bothwick en Lord, Together or Apart?, London Baaf, 2008.

[22] http://siblingstogether.co.uk/the-need/

[23] http://gcyp.sa.gov.au/wp-content/uploads/2011/07/2011-07-22-Sibling-Contact-Literature-Review-final.pdf

[24] http://mobile.abc.net.au/news/2015-06-15/children-separated-from-siblings-in-foster-care-feel-powerless/6546110: Children seperated from siblings in foster care feel powerless, anxious, CREATE foundation study finds (McDowall, J. J. (2014). Sibling placement and contact in out-of-home care. Sydney: CREATE Foundation.) http://create.org.au/wp-content/uploads/2015/02/CREATE-Position-Paper-Sibling-Contact-FINAL.pdf

[25]http://www.stiftungpflegekind.de/fileadmin/templates/szwdpk/media/user_upload/Thesis_Die_Fremdunterbringung_von_Geschwistern_durch_die_Kinder_und_Jugendhilfe.pdf, M.Uchtmann 2014

[26] https://pfad.wordpress.com/2010/02/11/geschwisterkinder-gemeinsam-oder-getrennt-unterbringen-%E2%80%93-studien-zur-rechtsgrundlage-und-zur-praxis-der-jugendamter-veroffentlicht

[27] http://www.kjp-muehlhausen.de/download/voelker2.pdf Völker, M. / Eisenbeis, S. / Düpre, B. (2007): Zur getrennten Vermittlung von Geschwisterkindern in Pflegefamilien durch Amtsvormünder aus rechtlicher, psychologischer und sozialpädagogischer Sicht. In: Zeitschrift für Kindschaftsrecht und Jugendhilfe 1 2007 S. 5-8. Köln: Bundesanzeigerverlag

[28] Ik kan geen formeel juridisch toetsingsmodel ontdekken in de Nederlandse kinderrechtspraak.