Eerste uitspraken van de Centrale Raad over de Wajong 2015

De Centrale Raad van Beroep heeft eerste uitspraken gedaan over de Wajong 2015 (ECLI:NL:CRVB:2018:1941ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en ECLI:NL:CRVB:2018:1953). Wat valt daarin op?

De Centrale Raad heeft in deze uitspraken eerste oordelen gegeven over de SMBA-methode en het Compendium Participatiewet  die  het UWV heeft ontwikkeld om de Wajong 2015 uit te voeren. De SMBA methode wijkt af van de CBBS-methode waarbij de geschiktheid van de daarin beschreven functies moet worden onderzocht en is door het UWV speciaal voor de Wajong 2015 ontwikkeld.

SMBA en Compendium Participatiewet

De Centrale Raad overweegt dat aan het UWV niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. De in het Compendium gegeven toelichting op de vier voorwaarden en het begrip duurzaamheid is aldus de Centrale Raad  een uitwerking van de toelichting op deze voorwaarden en het begrip duurzaamheid uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 (p. 6 e.v.).

Het Compendium  is naar het oordeel van de Centrale Raad in de externe functie ervan niet meer dan een hulpmiddel om een besluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken. Het is vervolgens aan de bestuursrechter de vraag te beantwoorden of het UWV met toepassing van de SMBA-methode, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming. De vraag is wat die volle toetsing vervolgens concreet inhoudt.

Toetsing onderzoek verzekeringsarts

Voor wat betreft de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek beslist  de Centrale Raad niet anders dan onder het CBBS gebeurt door te overwegen dat de verzekeringsarts dossierstudie verricht heeft , informatie van de behandelende sector bij de beoordeling heeft  betrokken, een anamnese afgenomen heeft en  betrokkene heeft onderzocht.  Op zich is dat ook niet vreemd, want artikel 3 en 4 van het Schattingsbesluit gelden ook voor de Wajong 2015.

Ook in Wajong 2015 zaken blijft het belangrijk om informatie van artsen, maar ook van (stage)begeleiders en hulpverleners te overleggen.

Geen functionele mogelijkhedenlijst (FML) in de Wajong 2015 nodig

De Centrale Raad vindt dat in de Wajong geen regel staat die het UWV verplicht om  de beperkingen met gebruikmaking van een FML in maat en getal weer te geven. De Centrale Raad vindt dat het feit dat bij de beoordeling van het arbeidsvermogen op grond van de Wajong 2015 geen gebruik wordt gemaakt van een FML, niet betekent dat de beoordeling niet toetsbaar is en dat de methode SMBA  voldoende waarborg biedt voor transparantie en verifieerbaarheid van de beoordeling.

Op zich is het oordeel dat in de Wajong 2015 geen FML nodig is begrijpelijk.  Een FML is immers een hulpmiddel voor selectie van functies door de grenzen aan te geven waarbinnen de arbeidsdeskundige  functies selecteert. In  de beoordeling op grond van de Wajong 2015 is het geschikt zijn van specifieke functies niet van belang.

De  International Classification of Functioning, Disability and Health’ (ICF) waarop de SMBA is gebaseerd kent echter ook gradaties van meer minder of minder beperkingen en het  begrip arbeidsvermogen kent ook grenswaarden. Een arbeidsdeskundige hoeft onder de Wajong 2015 weliswaar geen functies te selecteren, maar wel een taak. Het is daarom wel degelijk van belang om  beperkingen  inzichtelijk vast te leggen. Een soort FML op grond van de ICF-classificaties is daarom wenselijk. De methode SMBA  biedt op dit moment echter onvoldoende waarborg voor transparantie en verifieerbaarheid van de beoordeling.

Het alsnog kunnen ontwikkelen van arbeidsvermogen

De Centrale Raad bevestigt in de uitspraken de lijn in de rechtbankjurisprudentie dat de inschatting die de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich kunnen ontwikkelen voldoende  onderbouwd moet zijn. Het UWV  moet aldus de Centrale Raad onderzoeken op welke wijze een ingezette behandeling van invloed is en met welke concrete resultaten gericht op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van de betrokkene.  Het UWV mag dus niet zo maar aannemen dat de betrokkene nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Een soort FML zou overigens bij deze toetsing  ook van nut kunnen zijn.

Wajong 2015 en benoeming van een deskundige

Op 30 juni 2017 had de Centrale Raad (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) op grond van het Korošec- arrest overwogen dat ter waarborging van een gelijkwaardige procespositie  tussen UWV  en de burger het nodig kan zijn om een deskundige te benoemen. Die noodzaak kan onder de Wajong 2015 groter zijn dan onder andere arbeidsongeschiktheidswetten.

Het is voor een behandelend arts niet mogelijk om verzekeringsgeneeskundige uitspraken te doen over een patiënt waardoor medische informatie van de behandelende sector naar zijn aard sowieso maar beperkt geschikt is om twijfel te zaaien over het oordeel van de verzekeringsarts, maar medische informatie van een behandelaar kan binnen de beperkingen die in een FML kunnen worden ingevuld wel direct van betekenis zijn. Als een arts bijvoorbeeld schrijft dat de patiënt artrose in de schouder heeft, dan is dat wel een aanwijzing voor een beperking op het item reiken.

In de SMBA methode ontbreekt een beschrijving van afzonderlijke beperkingen in een FML. Voor artsen die geen verzekeringsarts zijn is het veel moeilijker om uitspraken te doen met betrekking tot het arbeidsvermogen van een patiënt en de mogelijkheid om dat te kunnen ontwikkelen. Medische informatie uit de behandelende sector is onder de Wajong 2015 minder naar zijn aard geschikt om bijvoorbeeld in twijfel te trekken dat iemand een uur aaneengesloten kan werken en dat geldt nog meer voor het oordeel van de arbeidsdeskundige over het hebben van basale werknemersvaardigheden of het geschikt zijn van een taak. Iets soortgelijks valt te zeggen over niet medische informatie van bijvoorbeeld jeugdhulp en veilig thuis. Zoals een behandelend arts geen verzekeringsarts is, is een medewerker van jeugdzorg geen arbeidsdeskundige. De Centrale Raad overweegt  dat niet gezegd kan worden dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling van het UWV, maar dat is dus de vraag.

Leidt toepassing van de SMBA methode tot voldoende inzichtelijke besluiten en goed gemotiveerde besluiten?

In de uitspraken tot nu toe heeft de Centrale Raad nog niet concreet iets gezegd over de invulling van begrippen die in de Wajong 2015 van belang zijn zoals basale werknemersvaardigheden en het een uur aaneengesloten kunnen werken en het geschikt zijn voor geselecteerde taken.  Omdat de Centrale Raad het Compendium Participatiewet als een hulpmiddel ziet, zal dat erg afhangen van de casus waarin deze begrippen worden toegepast en wat een partij hierover in hoger beroep aanvoert.  In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en in de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 staat echter niet zo heel veel over de concrete invulling van deze begrippen.  De vrijheid die het UWV daardoor heeft is daardoor behoorlijk groot. Dat het UWV  niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen, ontslaat het UWV niet van de verplichting om de methode te baseren op objectieve criteria en de rechter moet daar dan ook kritisch naar kijken.

De beschrijving van de beperkingen en de analyse van het arbeidsvermogen door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn onder de Wajong 2015 vrij algemeen van aard. Zo specifiek  als in het CBBS hoeft het SMBA niet te worden,  maar de grenzen  mogen wel  concreter en objectiever zijn dan nu het geval is.  Het oordeel of iemand wel of geen arbeidsvermogen heeft (of dat kan ontwikkelen) maakt voor de betrokkene immers nogal uit en anders blijft de volle toetsing van besluiten door de rechter in de praktijk in de lucht hangen.