Is het pgb van de gemeente voldoende voor uw thuishulp?

Als iemand van de gemeente een pgb krijgt op grond van de WMO  dan moet de gemeente ook beoordelen of met het pgb de benodigde zorg kan worden ingekocht.

Als de zorg wordt geïndiceerd in uren , dan is met behulp van het uurtarief dat de gemeente hanteert  nog wel  na te gaan hoeveel hulp de betrokkene in kan kopen en of dat voldoende is.  Dat wordt ingewikkelder als een gemeente – zoals Rotterdam – werkt met resultaatsgericht indiceren. De indicatie is dan niet gebaseerd op uren, maar op vaste bedragen. Hoe beoordeel je dan wat in een concreet geval het te bereiken resultaat is en of een pgb toereikend is om daarvoor voldoende zorg in te kunnen kopen?

De gemeente Rotterdam herleidt het pgb naar het tarief voor zorg in natura dat wordt  uitbetaald aan zorgaanbieders en naar de lonen in de cao Verpleeg- en Verzorgingstehuizen en Thuiszorg (VVT). Het tarief voor zorg in natura is bijvoorbeeld bepaald op € 58,16 per week voor een schoon en leefbaar huis bij een meerpersoonshuishouden. De gemeente Rotterdam bepaalt vervolgens voor informele zorg het bedrag  op 62,4% van dat tarief. Dat is € 36,29 per week. Aan deze bedragen ligt op grond van de functiegroepen 10 en 15 uit de cao VVT een uurtarief van € 13,71 ten grondslag (jaar 2015)[1]. Dat wil echter niet zeggen dat de gemeente vindt  dat in het concrete geval iemand € 36,29 / € 13,71 =  2 uur en 39 minuten zorg  per week nodig heeft.

In een tussenuitspraak van 26 juli 2018 (ROT 17/5039) heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat  deze berekeningsmethode onvoldoende duidelijk maakt hoe in een concrete situatie met het toegekende pgb een als voldoende compensatie te kwalificeren resultaat kan worden bereikt. De rechter kan niet toetsen of het toegekende pgb een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van de  persoon in kwestie. In het bijzonder overwoog de rechtbank dat het ondersteuningsplan geen overzicht van activiteiten bevat, van wat deze activiteiten inhouden, in welke ruimtes deze activiteiten moeten worden uitgevoerd en wat de frequente daarvan is. Ook vindt de rechtbank dat de gemeente niet duidelijk de grootte van de woning in zijn afweging heeft betrokken.

De toekenning van een pgb is maatwerk waarbij een gemeente niet  van standaardbedragen uit mag gaan. Bij aanbieders van zorg in natura geldt dat zij op basis van een contract meerdere cliënten zullen gaan bedienen zodat per cliënt een gemiddeld bedrag berekend wordt. De vraag is of dat in de WMO al is toegestaan, maar bij een individueel pgb is een gemiddelde als grondslag sowieso al niet voldoende. De gemeente zal dan nauwkeuriger  naar de concrete situatie van de aanvrager moeten kijken om te bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Dat wil overigens niet per definitie zeggen dat het pgb hoger moet zijn dan het standaardbedrag dat de gemeente Rotterdam had toegekend.  De uitkomst van het onderzoek  kan ook zijn dat de gemeente vindt dat de betrokkene minder pgb nodig heeft.

 

[1] Voor de exacte wijze van de berekening van de WMO-tarieven door de gemeente Rotterdam verwijs ik naar het rapport van bureau HHM van 10 oktober 2014 en de notitie van de dienst MO van Rotterdam van 3 juli 2017 (via een WOB-verzoek bij de gemeente Rotterdam zouden deze stukken beschikbaar moeten zijn).