Rotterdams indicatiebeleid blijft in strijd met de WMO 2015

Op 18 mei had de Centrale Raad van Beroep het Rotterdamse beleid om te indiceren op resultaatsgebieden buiten toepassing gelaten (zie NL:CRVB: 2016:1491 ). Hoewel die zaak nog speelde onder de oude WMO heeft wethouder De Jonge in een brief van 9 juni aanpassingen in het beleid aangekondigd om het Rotterdamse beleid in overeenstemming met de uitspraak van de rechter (zie: 1MO06131 – 16bb4742).

De wethouder kondigt in de brief aan dat het beleid concreter wordt gemaakt, maar dat het werken met resultaatsgebieden  in grote lijnen in stand blijft. De gemeente wil bijvoorbeeld in het leveringsplan wel op gaan nemen hoe vaak hulp langs komt, maar de zorgverlener  behoudt de vrijheid om te bepalen voor hoeveel uren hulp wordt verleend om het resultaat te kunnen bereiken.

Net als onder de WMO 2007 het geval was, moet het college ook onder de WMO 2015 besluiten  over de hoeveelheid hulp waarop de klant concreet recht heeft [i]. In dat opzicht is er niets veranderd. De wethouder stelt voor dat als de klant het niet eens is met de inhoud van het leveringsplan de klant de gemeente om een heroverweging kan vragen voordat een definitief besluit wordt genomen. De vraag is of die werkwijze in overeenstemming is met de wet, omdat de mate waarin het college rechten van klanten vaststelt dan uiteindelijk afhankelijk is van de opstelling van de klant. Dat werkt rechtsongelijkheid in de hand. Het moet voor alle klanten duidelijk zijn welke activiteiten zullen worden verricht,  met welke frequentie deze activiteiten zullen worden verricht en hoeveel tijd daarvoor nodig is, zodat het voor de klant controleerbaar is of de maatwerkvoorziening voldoende is afgestemd op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden. Zie hiervoor ook deze uitspraak.

Daarnaast is onduidelijk of het voorgestelde beleid voldoende objectieve criteria zal bevatten op grond waarvan duidelijk is wat bijvoorbeeld een schoon en leefbaar huis inhoudt. Het door de wethouder aangekondigde overleg met de Brede Raad en zorgaanbieders alleen is op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad ontoereikend om objectieve criteria vast te kunnen stellen. Hiervoor is onderzoek door een deskundige derde nodig die geen belang heeft bij de uitkomst van dat onderzoek. Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad  zijn die objectieve criteria van essentieel belang. Ook dat is onder de WMO 2015 niet veranderd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2016. Zolang er geen andere criteria ontwikkeld worden die voldoende objectief zijn zal de rechter waarschijnlijk blijven terugvallen op het CIZ protocol dat voorheen ook werd gebruikt.

De resultaten van het overleg met de Brede Raad en zorgaanbieders zijn op dit moment nog niet bekend. In recente antwoorden op vragen van de SP-fractie in de gemeenteraad maakt de wethouder nog niet concreet hoe het nieuwe beleid zal komen te luiden.  Het is dus nog even afwachten.  Als het beleid echter inderdaad conform de brief van de wethouder zal worden gewijzigd is de kans groot dat de rechter dat onvoldoende zal vinden. De WMO biedt in zijn huidige vorm geen ruimte voor het indiceren op resultaatsgebieden. De gemeente kan daarom deze werkwijze beter verlaten en de aandacht richten op het formuleren van objectieve criteria om indicaties op te gaan baseren, zodat de klant weet op welke ondersteuning hij concreet recht heeft.

[i] Zie artikelen 2.3.5 en 2.6.2 WMO 2015