Schraalhans blijft keukenmeester…

Nieuwe verordening Individuele inkomenstoeslag van Rotterdam.

Op 7 juli heeft de gemeenteraad een nieuwe verordening individuele inkomenstoeslag vastgesteld.

Kort samengevat staat hierin dat de Rotterdammer die gedurende 5 jaar een inkomen op maximaal 100% van het sociaal minimum heeft gehad recht heeft op een toeslag van € 50,00 per jaar. Dit is ongeacht de leefvorm (amendementen om een hoger bedrag vast te stellen of het bedrag  te differentiëren naar leefvorm zijn verworpen).

De nieuwe verordening heeft  geen terugwerkende kracht, maar mensen die voor de inwerkingtreding van de nieuwe verordening al een aanvraag hadden ingediend (en eventueel bezwaar en beroep hebben ingesteld ) kunnen op grond van de nieuwe regels over 2015 nog wel een toeslag ontvangen als ze aan de voorwaarden voldoen. In het toeslagjaar 2016 wordt overigens eenmalig een dubbele toeslag betaald om de mensen tegemoet te komen die in 2015 geen aanvraag hadden ingediend.

Naast de bovenstaande voorwaarden zal het college beoordelen of de aanvrager geen zicht op inkomensverbetering heeft. Hiervan is mogelijk geen sprake als iemand in de referteperiode bijvoorbeeld een maatregel opgelegd heeft gekregen wegens het niet nakomen van de sollicitatieplicht. Onder de langdurigheidstoeslag was dit op zich ook mogelijk. Het is aannemelijk dat dit met de individuele inkomenstoeslag ook kan, maar omdat het hier beleid betreft moet het college als daartoe aanleiding bestaat wel van dat beleid af kunnen wijken. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak.

Is deze verordening ook onverbindend?

50 euro per jaar is ten opzichte van omringende gemeenten een laag bedrag. Rotterdammers zijn niet per definitie minder arm dan bijvoorbeeld mensen in Schiedam. Omdat gemeenten op grond van de participatiewet echter beoordelingsvrijheid hebben, is de verordening daardoor nog niet onverbindend.

De individuele inkomenstoeslag is in de Participatiewet veranderd in een bevoegdheid van het college om de toeslag beter aan te laten sluiten bij het lokale armoedebeleid (zie TK 2013-2014, 33801, nr. 3, pag. 22). In de toelichting op de verordening wordt echter niet concreet uitgelegd waarom het bedrag van 50 euro past in het Rotterdamse armoedebeleid en aansluit op andere bestaande regelingen. De keuze lijkt vooral ingegeven te zijn vanuit de beperkte financiële kaders van de gemeente. De vraag is of die motivering toereikend is om aan de wettelijke opdracht te voldoen. Ik wijs hierbij bijvoorbeeld op een van de recente WMO uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarin de keuze van de gemeente voor een vast aantal uren werd afgewezen, omdat deze alleen op de financiële kaders was gebaseerd en niet op objectief onderzoek.